Image

Inleiding en leeswijzer

Het basisonderwijs is een plek waar kinderen elkaar ontmoeten, elkaars leefwereld leren kennen en met sociale en culturele verschillen leren omgaan (SCP, 2021). Zo kan het basisonderwijs een bijdrage leveren aan een sterkere sociale samenhang in de samenleving. De vraag is dan ook in welke mate kinderen met verschillende leefwerelden samen naar school gaan. Uit onderzoek blijkt dat verschillende groepen kinderen op basis van bijvoorbeeld inkomen, herkomst of sociale achtergrond naar verschillende scholen gaan (Inspectie van het Onderwijs, 2020; KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023). Dat noemen we onderwijssegregatie. Leerlingen met verschillende leefwerelden komen elkaar dan minder vaak tegen op school. De eerste monitor is ontwikkeld naar aanleiding van de motie ‘Maak werk van een segregatiemonitor primair onderwijs’ uit 2021. Dit onderzoek over schooljaar 2024/2025 is daar een voortzetting van. Het onderzoek laat zien in welke mate basisschoolleerlingen in Utrecht gesegregeerd naar school gaan door antwoord te geven op acht deelvragen, die elk beantwoord worden in een paragraaf van hoofdstuk 2 en 3.

  1. Voor welk achtergrondkenmerk (inkomen, opleiding en herkomst) is de onderwijssegregatie het grootst? (zie H2.1)
  2. Tussen welke groepen leerlingen (naar inkomen, opleiding of herkomst van ouders) is de onderwijssegregatie het grootst? (zie H2.2)
  3. Hoe ontwikkelt de onderwijssegregatie zich in Utrecht ten opzichte van schooljaar 2020/2021? (zie H2.3)
  4. Hoe groot is de onderwijssegregatie in Utrecht ten opzichte van Nederland en de andere G4-gemeenten? (zie H2.4)
  5. Welk deel van de onderwijssegregatie in Utrecht is het gevolg van verschillen tussen wijken (‘Onderwijssegregatie kan [deels] worden veroorzaakt doordat groepen leerlingen met verschillende achtergrondkenmerken in verschillende wijken wonen en daardoor naar andere scholen gaan. Dit noemen we woonsegregatie. Woonsegregatie is grofweg te scheiden van schoolkeuzesegregatie, zie de inleiding voor meer toelichting. ’) in de stad? (zie H2.5)
  6. In welke wijk is de onderwijssegregatie het grootst? (zie H3.1)
  7. Hoe ontwikkelt de onderwijssegregatie zich in Utrechtse wijken ten opzichte van schooljaar 2020/2021? (zie H3.2)
  8. Welke wijk draagt het meest bij aan verschillen binnen de wijk (‘Onderwijssegregatie kan [deels] worden veroorzaakt door de keuze van (ouders van) leerlingen voor een bepaalde school waardoor scholen geen afspiegeling zijn van alle groepen leerlingen die in de wijk naar school gaan. Dan praten we over schoolkeuzesegregatie. Schoolkeuzesegregatie is grofweg te scheiden van woonsegregatie, zie de inleiding voor meer toelichting.’) in Utrecht? (zie H3.3)

Oorzaken

Onderwijssegregatie heeft verschillende oorzaken, waaronder schoolkeuzegedrag van ouders, het schoolsysteem (bijv. toelatingsbeleid van scholen) en woonsegregatie. Bij woonsegregatie wonen verschillende groepen kinderen bijvoorbeeld in verschillende buurten omdat er in een buurt voornamelijk goedkopere of juist hele dure woningen staan. Kinderen die in hun eigen buurt naar school gaan komen elkaar daar tegen. Op deze manier kan woonsegregatie bijdragen aan onderwijssegregatie. Onderwijssegregatie is daardoor een optelsom van verschillende vormen van segregatie. Zolang er vrijheid van schoolkeuze is en groepen inwoners gescheiden van elkaar in wijken en buurten wonen, zal er altijd enige mate van onderwijssegregatie bestaan. De vraag is dus niet zozeer óf er sprake is van onderwijssegregatie in het basisonderwijs, maar hoe groot de onderwijssegregatie is. Deze vraag beantwoorden we in deze rapportage.

Gevolgen

Onderzoek binnen en buiten Nederland laat zien dat op gemengde scholen geen betere leerprestaties worden behaald dan op meer gesegregeerde scholen, met de uitzondering van burgerschapsonderwijs (Bakker, 2012; KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023). Uit onderzoek blijkt dat leerlingen gemiddeld hoger scoren op aspecten van burgerschapsonderwijs naarmate een school meer gemengd is (Sincer e.a., 2022). Daarnaast is er door onderwijssegregatie niet alleen sprake van een ongelijke verdeling van leerlingen, maar ook van een ongelijke verdeling van leraren over scholen. Ervaren leerlaren vinden scholen met meer gewichtenleerlingen vaak minder aantrekkelijk om te werken (Inspectie van het Onderwijs, 2019).

Inhoud van deze monitor

In deze monitor kijken we, voor schooljaar 2024/2025, in welke mate Utrechtse kinderen met verschillende achtergrondkenmerken samen naar de basisschool gaan. Gaan kinderen met verschillende achtergrondkenmerken vooral samen naar school, dan is de onderwijssegregatie laag. Gaan kinderen met verschillende achtergrondkenmerken vooral gescheiden naar school, dan is de onderwijssegregatie hoog. We kijken daarbij naar drie achtergrondkenmerken:

  • Inkomen van het huishouden
  • Opleiding van de ouders
  • Herkomst van de ouders

Deze achtergrondkenmerken omvatten niet alle sociale en culturele diversiteit die in de stad zichtbaar is. Onderwijssegregatie kan ook op andere groepskenmerken voorkomen. Onderwijssegregatie naar inkomen, opleiding en herkomst zijn met name relevant vanwege effecten op sociale cohesie in de samenleving. Voor het berekenen van de onderwijssegregatie zijn telkens drie groepen gemaakt naar inkomen, opleiding en herkomst (zie ook ‘Methodische verantwoording’ voor verdere toelichting).

Inkomen

Voor de indeling naar inkomen kijken we naar het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van de huishoudens van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Ook hierin is een indeling in drie groepen gemaakt:

  • Laagste 20% inkomens
  • Middelste 60% inkomens
  • Hoogste 20% inkomens

Opleiding

Voor de indeling naar opleiding kijken we naar de opleiding van de ouders van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Om groepen kinderen te vergelijken is de volgende driedeling gemaakt:

  • Beide ouders hebben geen startkwalificatie
  • Eén of beide ouders hebben een havo/vwo of mbo-2,-3,-4 diploma
  • Eén of beide ouders hebben een hbo- of wo-diploma

Herkomst

Voor de indeling naar herkomst kijken we naar het geboorteland van de ouders van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Hierin is de volgende indeling in drie groepen gemaakt:

  • Beide ouders zijn in Nederland geboren
  • Eén ouder is in Nederland geboren en één ouder is in het buitenland geboren
  • Beide ouders zijn in het buitenland geboren

Dissimilarity Index

Een maat om te bepalen of groepen kinderen samen of gescheiden naar school gaan is de Dissimilarity Index. De Dissimilarity Index heeft een waarde tussen 0 en 1. Een waarde van 0 betekent dat er geen segregatie is. Alle groepen kinderen zijn dan gelijk verdeeld over de verschillende scholen in het gebied, in dezelfde verhouding als waarin alle kinderen in het totale gebied naar school gaan. Deze kinderen gaan dan samen naar school. Een waarde van 1 betekent dat er volledige segregatie is. Elke groep kinderen is dan oververtegenwoordigd op elk een andere school in het gebied. Deze kinderen gaan dan gescheiden naar school. De Dissimilarity Index verbeeld een gedachte-experiment waarmee de mate van segregatie zichtbaar wordt. Door de waarde van 0 tot 1 te vermenigvuldigen met 100 krijg je een percentage leerlingen van een groep dat van school zou moeten wisselen om tot een evenwichtige verdeling te komen voor groepen op basis van het achtergrondkenmerk. Dit is een gedachte-experiment om het resultaat makkelijker te interpreteren. Het betekent niet dat er leerlingen van school moeten wisselen. Met een Dissimilarity Index van 0,5 zou dus 50% van de leerlingen in het gebied van school moeten wisselen om te komen tot een gelijke verdeling over alle scholen in het gebied. We gebruiken geen vuistregel om aan te geven of we een bepaalde waarde op deze index veel of weinig onderwijssegregatie vinden. Dit komt omdat de waarde van de Dissimilarity Index afhangt van de indeling van de groepen die we kiezen. Bij een extremere verdeling, bijvoorbeeld door de 10% hoogste en laagste inkomens te vergelijken, zullen we waarschijnlijk een hogere waarde zien voor de Dissimilarity Index zien (zie ook de Methodische Verantwoording). Een vaste grenswaarde voor veel of weinig onderwijssegregatie vinden we daarom niet passend. Je kunt bij een gelijke definitie van groepen wel segregatie tussen wijken, gemeenten of verschillende schooljaren vergelijken. Daardoor zien we of onderwijssegregatie in een wijk hoger of lager is dan in andere wijken of steden. Als de onderwijssegregatie bekend is voor meerdere jaren dan kunnen we ook zien of deze toeneemt of afneemt.

Hutchens Index

Naast de Dissimilarity Index berekenen we ook de Hutchens Index. De Hutchens Index heeft ook een waarde tussen 0 tot 1, waarbij 0 geen onderwijssegregatie betekent en 1 veel onderwijssegregatie. Omdat de berekening anders is, zijn de Hutchens Index en de Dissimilarity Index niet gelijk aan elkaar. We gebruiken zowel de Hutchens Index als de Dissimilarity Index omdat ze verschillende informatie geven over onderwijssegregatie. Hierdoor vullen ze elkaar goed aan.

  • De Dissimilarity Index is makkelijker uit te leggen. Door het gedachte-experiment krijgen we een beeld van de mate waarin leerlingen samen of gescheiden naar school gaan. Met de Hutchens Index kan dit niet.
  • De Hutchens Index laat zien wat de bijdrage is van elke wijk aan de totale onderwijssegregatie in de stad. Hierdoor is de onderwijssegregatie in de stad (grofweg) te splitsen in woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie. Met de Dissimilarity Index kan dit niet.

Met de Dissimilarity Index en de Hutchens Index vergelijken we steeds twee groepen leerlingen met elkaar. Voor het vergelijken van de totale mate van segregatie in een wijk of de stad gebruiken we alleen de Dissimilarity Index. De Hutchens Index gebruiken we alleen om te laten zien welk percentage van de onderwijssegregatie kan worden toegeschreven aan verschillen tussen wijken (‘woonsegregatie’) en verschillen binnen wijken (‘schoolkeuzesegregatie’).

Woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie zijn grofweg te splitsen

Schoolkeuze van ouders is een verklaring voor onderwijssegregatie in het basisonderwijs. Een andere reden voor onderwijssegregatie is woonsegregatie: kinderen in de basisschoolleeftijd gaan vaak dichtbij huis, en daarmee voornamelijk binnen de wijk naar school. In sommige wijken wonen veel gezinnen met vergelijkbare achtergrondkenmerken. Bijvoorbeeld met een laag of juist met een hoog inkomen. Woonsegregatie kan zo een deel van de onderwijssegregatie tussen wijken verklaren – al draagt schoolkeuze voor een school in een andere wijk ook bij aan segregatie tussen wijken. Voor verschillen binnen wijken verklaart schoolkeuze een groot deel van de onderwijssegregatie – al kan er ook binnen wijken nog sprake zijn van woonsegregatie. Bijvoorbeeld als buurten binnen de wijk sterk van elkaar verschillen en deze gescheiden worden door autowegen, spoor of water. Met de Hutchens Index kunnen we onderwijssegregatie splitsen in een stuk ‘verschillen tussen wijken’ en een stuk ‘verschillen binnen wijken’. Dit komt dus niet exact overeen met woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie. In hoofdstuk 3 zien we dat bijvoorbeeld in het geval van Zuidwest. Toch helpt de Hutchens Index wel om onderwijssegregatie door woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie grofweg te benaderen op stadsniveau, wat we doen in hoofdstuk 2.5. Als we over woonsegregatie spreken, hebben we het over onderwijssegregatie door verschillen tussen wijken. Als we over schoolkeuzesegregatie spreken, hebben we het over onderwijssegregatie door verschillen binnen wijken.

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 ‘Leerlingen en scholen in de wijk’ gaan we in op het aantal leerlingen en scholen per wijk (1.1 & 1.2). Ook beschrijven we in dit hoofdstuk de verdeling van groepen leerlingen per achtergrondkenmerk in wijken (1.3) en de sociaaleconomische positie van de huishoudens van leerlingen in subwijken (1.4). Deze informatie is nodig om de resultaten in hoofdstukken 2 en 3 beter te kunnen begrijpen. In hoofdstuk 2 ‘Onderwijssegregatie in Utrecht’ gaan we voor het eerst kijken naar onderwijssegregatie en de bijbehorende indices. In paragraaf 2.1 tot en met 2.5 wordt een voor een antwoord gegeven op de deelvragen 1 tot en met 5. In hoofdstuk 3 gaan we in op de onderwijssegregatie per wijk en de verschillen in de stad. In paragraaf 3.1 tot en met 3.3 wordt een voor een antwoord gegeven op de deelvragen 6 tot en met 8. Tot slot volgt een methodische verantwoording. In de methodische verantwoording leggen we meer uit over de techniek en analyse waarmee deze resultaten tot stand zijn gekomen.