Bijlage 1: gehanteerde aannames
Bij het opstellen van de Bevolkingsprognose 2026 zijn we uitgegaan van een aantal aannames. De aannames die we in het prognosemodel hanteren zijn beschreven in deze bijlage. In het model volgen we twee stappen. In de eerste stap (de stadsprognose) bepalen we voor elk prognosejaar de groei op stadsniveau. In de tweede stap (de gebiedsprognose) werken we uit hoe deze bevolkingsgroei is verdeeld over de gebieden in de stad.
Stadsprognose
- Uitgangspunt voor de Bevolkingsprognose 2026 is de stand en samenstelling van de Utrechtse bevolking op 1 januari 2026 en de ontwikkeling in de voorgaande vijf jaren (stroomdata van de jaren 2021 t/m 2025).
- Voor de prognose is tevens uitgegaan van de stand van de Utrechtse woningvoorraad op 1 januari 2026. In de prognose is verwerkt dat de woningvoorraad tot 1-1-2045 wordt uitgebreid met 57.368 woningen netto (dit is 58.311 nieuwbouw minus 943 sloop).
- Aan de prognose ligt het woningbouwprogramma uit het MPR (Meerjaren Perspectief Ruimte) en de Omgevingsvisie RSU 2040 ten grondslag. We onderscheiden hierbij de ‘harde’ en de ‘zachte’ plancapaciteit. Voor de huidige prognose is in het MPR uitgegaan van de plancapaciteit met peildatum 1 februari 2026.
- In de harde plancapaciteit zijn alle woningbouwprojecten opgenomen waarvoor ten minste de bestuurlijke wenselijkheid is bepaald en projecten die onderdeel zijn van een gemeentelijke grondexploitatie. Dit zijn alle projecten gedefinieerd als de ‘harde plancapaciteit’ conform de definitie van de gemeente Utrecht.
- De zachte plannen zijn plannen die in de initiatieffase zitten en die verder in de toekomst liggen. Om de zachte plancapaciteit te bepalen maken we een inschatting van de potentie van toekomstig te ontwikkelen locatie. Deze locaties zijn veelal opgenomen in de Omgevingsvisie.
- De plannen in het MPR betreffen nieuwbouwprojecten en grotere transformatieprojecten waarbij bijvoorbeeld een kantoorpand wordt omgebouwd naar woningen. Dit zijn alle projecten die het Utrechts Planproces Gebiedsontwikkeling (UPG) doorlopen en waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is. Kleinere projecten, zoals renovatie, splitsingen en samenvoegingen waarvoor alleen een omgevingsvergunning vereist is worden niet opgenomen in het MPR.
- We houden rekening met mogelijke vertraging van projecten en eventuele planuitval. Hiervoor doen we een analyse van de projecten in het MPR.
- De woningen uit het MPR zijn aan een prognosejaar toegekend op basis van het jaar waarin de oplevering is gepland. In het prognosemodel wordt ervan uitgegaan dat de woningen in het jaar van oplevering worden bewoond.
- Het prognosemodel berekent voor elk prognosejaar achtereenvolgens de natuurlijke aanwas (op basis van geboorte- en sterftekansen), daarna buitenlandse migratie en ten slotte binnenlandse migratie (migratie op basis van vestigings- en vertrekkansen).
- Voor de huidige sterftekans in Utrecht is het gemiddelde van de laatste vijf jaren als standaardaanname gekozen. Voor de vruchtbaarheid (ofwel geboortekans), de vertrekkans en de leeftijdsverdeling van nieuwe vestigers is standaard gekozen voor het gemiddelde van de laatste drie jaren. We kiezen hier voor een kortere periode omdat de leeftijdsverdeling de laatste jaren aan het wijzigen is.
- Voor de toekomstige ontwikkeling van de sterftekansen kijken we naar de landelijke bevolkingsprognose van het CBS. Voor Utrecht volgen we de trend die het CBS in haar meest actuele prognose hanteert (uit december 2025). Sterftekansen worden kleiner als gevolg van een toegenomen levensverwachting.
- Net als in andere studentensteden ligt de vruchtbaarheid in Utrecht onder het landelijke gemiddelde. In de landelijke prognose van het CBS stijgt het vruchtbaarheidscijfer tot 2042 met 15% en blijft daarna constant. Omdat de geplande uitbreiding van de Utrechtse woningvoorraad minder passend voor gezinnen lijkt dan de landelijke nieuwbouw (meer appartementen, kleinere woningen, hogere prijzen), kiezen we er in onze prognose voor om het vruchtbaarheidscijfer in Utrecht tot 2042 te laten toenemen met de helft van de landelijke trend. Vanaf 2042 houden we het vruchtbaarheidscijfer constant.
- De buitenlandse migratiestromen van Utrecht zijn in het prognosemodel bepaald op basis van het historische aandeel van Utrecht in de landelijke migratiestromen van vestigers en vertrekkers met het buitenland. Het Utrechtse aandeel is berekend als het gemiddelde over de afgelopen vijf jaren. Dit aandeel is vervolgens toegepast op de voorspelde buitenlandse vestiging en het buitenlands vertrek in en uit Nederland zoals berekend in de laatste landelijke prognose van het CBS. Ten opzichte van de vorige landelijke prognose heeft het CBS vooral het aantal immigranten dat naar Nederland komt voor de jaren tot 2029 naar beneden bijgesteld.
- Na berekening van de natuurlijke aanwas en het buitenlands migratiesaldo per prognosejaar resteert de binnenlandse migratie. Het prognosemodel projecteert de gemiddelde huishoudensgrootte op de nog beschikbare woningen om zo tot het binnenlands migratiesaldo te komen.
- Voor de sekseratio (de verdeling jongens en meisjes bij geboorten) is het Utrechtse cijfer gebruikt op basis van de historie. Dit is zo goed als gelijk aan het landelijke cijfer.
Gebiedsprognose
- Nadat de stadsprognose is doorgerekend en vastgelegd, gaan we in de gebiedsprognose uitwerken hoe de bevolkingsgroei van de stad is verdeeld over de gebieden. In onze prognose gaan we daarbij uit van de 34 subwijken van de stad. Daarnaast voegen we voor enkele grote ontwikkellocaties een apart prognosegebied toe.
- Per gebied zijn aannames gemaakt ten aanzien van de gemiddelde woningbezetting – en daarmee het aantal personen – dat er als gevolg van nieuwbouw of sloop bijkomt of afgaat. De standaardaanname heeft te maken met het percentage eengezins- en meergezinswoningen dat volgens de planning in dat gebied wordt bijgebouwd. Op basis van de historische gegevens van het gebied zijn profielen van vestigers gemaakt: wie gaan zich in de nieuwe woningen vestigen naar leeftijd en geslacht. De algemene aanname is dat een gebied waar alleen eengezinswoningen worden opgeleverd een ander bewonersprofiel heeft dan een gebied waar alleen meergezinswoningen worden opgeleverd. Voor studentenwoningen is een apart profiel gebruikt met een gemiddelde woningbezetting van 1, aangezien studenten meestal in hun eentje een woning (kamer) betrekken.
- In enkele ontwikkelgebieden is de huidige bevolkingsomvang te beperkt en/of de bestaande woningvoorraad te afwijkend om daar het inwonersprofiel voor de nieuwbouw op te baseren. Voor zo’n gebied kiezen we een ander referentiegebied in de stad met voldoende bevolkingsomvang en dat vergelijkbaar en passend is qua mix van eengezins- en meergezinswoningen. Vervolgens is voor dat ontwikkelgebied gerekend met het inwonersprofiel van het referentiegebied.
- De vruchtbaarheid is in bijna alle prognosegebieden berekend als het gemiddelde vruchtbaarheidscijfer in dat gebied over de laatste jaren. Gebieden met studentenwoningen vormen daarop een uitzondering, die krijgen standaard een vruchtbaarheid van 0. Andere uitzonderingen zijn de deelgebieden Cartesiusdriehoek, Wisselspoor, Beurskwartier, Merwedekanaalzone en enkele ontwikkelgebieden in de wijken Oost, Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern; in deze gebieden is een keuze gemaakt passend bij het profiel.