Image
Taal van de content
Nederlands

2. Enquêteresultaten: Inburgeraars en (vrijwilligers-) werk en opleiding

In de Nota van Uitgangspunten (opgave Inburgering, ‘Thuis in Utrecht’) staat beschreven dat we in Utrecht uitgaan van meedoen en inclusie vanaf dag één. Werk is een belangrijk onderdeel van inburgering. Dat inburgeraars meedoen in de vorm van werk, activiteiten of opleiding, is niet alleen belangrijk voor de inburgeraar zelf, het is ook belangrijk voor de samenleving, voor andere Utrechters. De gemeente Utrecht wil dat inburgeraars zichzelf redden en niet afhankelijk worden van ondersteuning. Dat zij zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun inburgering en dat zij bijdragen aan de stad.

Als gemeente stellen we Utrechters vragen over werk, opleiding en vrijwilligerswerk. Deze vragen hebben we ook aan inburgeraars gesteld. Daarnaast houdt het CBS cijfers bij over de werkzame beroepsbevolking in Nederland, ook voor Utrecht. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de antwoorden van asielstatushouders en gezinsmigranten op vragen over werk, opleiding en vrijwilligerswerk. Waar mogelijk presenteren we dit naast de antwoorden die Utrechters in 2025 gegeven hebben of vergelijkbare cijfers van het CBS.

Voor de leesbaarheid van het rapport zullen we hier alleen de kernindicatoren beschrijven en weergeven die over (vrijwilligers-) werk en opleiding gaan. Alle andere enquêteresultaten op de 14 kernindicatoren worden weergegeven en beschreven in bijlage 5.

2.1      Enquêteresultaten over (vrijwilligers-) werk, opleiding en inkomen

2.1.1. Betaald werk

Uit de resultaten van deze peiling blijkt dat 26% van de asielstatushouders aangeven betaald werk te hebben. 62% van de gezinsmigranten in deze peiling hebben betaald werk. Ter vergelijking: de netto arbeidsparticipatie van de Utrechtse bevolking is 78%. In Nederland is dit gemiddeld 73%. De netto arbeidsparticipatie is het aandeel inwoners dat betaald werk heeft ten opzicht van alle inwoners van 15 tot 75 jaar. Ten opzichte van de resultaten uit de rapportage uit 2024 lijkt het aandeel werkenden onder asielstatushouders (6%) en gezinsmigranten (54%) te zijn toegenomen.

Van de inburgeraars (asielstatushouders en gezinsmigranten, n=121) met betaald werk in deze peiling geeft 71% aan (zeer) tevreden te zijn over het werk dat zij doen. 65% van de asielstatushouders is (zeer) tevreden met het werk. 73% van de gezinsmigranten is tevreden met werk.

Figuur 2.1 – Aandeel asielstatushouders, gezinsmigranten en Utrechters met betaald werk

Infogram URL

2.1.2 Opleiding

Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 17% aan een opleiding of cursus te volgen, anders dan taalles om Nederlands te leren. Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 6% aan een opleiding of cursus te volgen.

Figuur 2.2 - Aandeel asielstatushouders en gezinsmigranten dat een opleiding of cursus doet

Infogram URL

2.1.3     Vrijwilligerswerk

Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 18% aan actief te zijn als vrijwilliger. Onder de gezinsmigranten in deze peiling is dat 9%. De meeste gezinsmigranten in deze peiling geven aan betaald werk te doen (zie figuur 2.1). Ter vergelijking: 40% van de Utrechters geeft aan actief te zijn als vrijwilliger.

Figuur 2.3 - Aandeel asielstatushouders, gezinsmigranten en Utrechters dat vrijwilligerswerk doet

Infogram URL

2.1.4     Werk-wensen en ervaringen

In deze peiling zijn in de enquête een aantal aanvullende vragen gesteld over werk en werkwensen. De vragen zijn gesteld aan zowel inburgeraars die nu werken als inburgeraars die nu niet werken. 

In tegenstelling tot de resultaten hiervoor kunnen we vanwege te lage aantallen geen uitsplitsing maken naar asielstatushouders en gezinsmigranten. In de volgende analyse zijn deze twee groepen dus samengenomen en gezamenlijk weergegeven in de onderstaande figuren als ‘werkenden’ en ‘niet-werkenden’.

Werk-wensen en ervaringen van niet-werkende inburgeraars

Aan inburgeraars die op dit moment niet werken zijn aanvullende vragen gesteld over hun toekomstwensen ten aanzien van werk en de redenen waarom zij momenteel geen betaald werk hebben. 

De meerderheid van de niet-werkende inburgeraars in deze peiling geeft aan te willen werken. Zo geeft 29% aan diploma’s of certificaten te gaan halen om in Nederland het werk te kunnen doen waarvoor zij in het land van herkomst zijn opgeleid. 12% geeft binnen een jaar te gaan starten met werken. 11% wil van beroep veranderen, daarvoor willen ze een opleiding of een cursus volgen. 5% geeft aan zo snel mogelijk te willen starten met werken; het maakt ze niet uit in welke functie. Ook geeft 4% aan een eigen bedrijf te willen starten.

Een minderheid geeft het nog niet te weten (21%) en 8% geeft aan dit jaar niet te willen werken. 9% geeft aan ander antwoord.

Figuur 2.4 - Wensen niet-werkenden (asielstatushouders en gezinsmigranten) wat betreft werk voor de toekomst

Infogram URL

Aan niet-werkende asielstatushouders en gezinsmigranten is ook gevraagd wat voor hen de belangrijkste reden is dat zij nu geen betaald werk hebben. Ze konden meerdere antwoorden geven. 

De meest genoemde reden om nog niet te werken is het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal (56%). Daarnaast wordt gebrek aan tijd ook vaak genoemd: zo geeft meer dan de helft aan (53%) dat ze druk bezig zijn met inburgering/taallessen. Daarnaast geeft 16% van de niet-werkenden aan dat ze geen tijd hebben door een andere tijdsverplichting zoals vrijwilligerswerk/zorgen voor de kinderen/volgen een opleiding.

Figuur 2.5 - Redenen niet-werkenden (asielstatushouders en gezinsmigranten) voor het niet hebben van betaald werk

Infogram URL

Werk-wensen en ervaringen van werkende inburgeraars

Aan werkende inburgeraars zijn aanvullende vragen gesteld over hun toekomstwensen ten aanzien van werk en hoe ze aan hun huidige baan zijn gekomen. 

De minderheid (24%) van de werkende asielstatushouders en gezinsmigranten geeft aan te willen blijven werken bij hun huidige werkgever, of het nog niet te weten (5%). De meerderheid geeft dus aan iets anders te willen. Zo geeft 18% aan van beroep te willen veranderen, daarvoor willen ze een opleiding of een cursus doen. Dat is een iets hoger aandeel dan bij de niet-werkenden (11%, zie Figuur 2.4). 18% geeft aan te willen doorgroeien naar een betere functie. 16% wil diploma’s of certificaten gaan halen om in Nederland het werk te kunnen doen waarvoor zij in het land van herkomst zijn opgeleid. Dat is een lager aandeel dan bij de niet-werkenden (zie Figuur 2.4).

Figuur 2.6 - Wensen werkenden (asielstatushouders en gezinsmigranten) wat betreft werk voor de toekomst

Infogram URL

Aan de werkenden is ook gevraagd hoe zij aan hun huidige baan zijn gekomen. Daarbij geeft ongeveer de helft (48%) aan de huidige baan zelf online te hebben gevonden. De andere helft is via een andere persoon of organisatie aan hun huidige baan gekomen. Zo geeft 36% aan het via hun eigen netwerk te hebben gekregen. Een kleiner aandeel (6%) geeft aan de baan te hebben gekregen via een uitzendbureau, 2% geeft aan via de inburgeringscoach van de gemeente en 1% via het asielzoekerscentrum. 8% geeft aan ander antwoord.

Figuur 2.7 - Hoe werkenden (asielstatushouders en gezinsmigranten) aan hun huidige baan zijn gekomen

Infogram URL

2.2 Enquêteresultaten naar werkenden en niet-werkenden

In deze rapportage is ook gekeken in hoeverre er relevante verschillen zijn tussen werkende inburgeraars en niet-werkende inburgeraars en hun antwoorden op de andere vragen uit de enquête. Er zijn een aantal verschillen tussen werkenden en niet-werkenden, vaker zijn er geen verschillende tussen beide groepen. Hieronder worden verschillen toegelicht.  

Waar er verschillen zijn, laten werkenden overal het algemeen positievere resultaten zien dan niet-werkenden. Uit de resultaten blijkt dat werkenden vaker aangeven het minder spannend vinden om Nederlands te spreken en minder vaak problemen te hebben in het dagelijks leven door: moeilijkheden met het spreken van Nederlands, hun financiële situatie en hun lichamelijke gezondheid. Ze geven bovendien vaker aan dat hun algemene gezondheid (zeer) goed is en geven vaker aan zich gelukkig te voelen. Ook ontvangen zij minder vaak hulp bij geldzaken en administratie. Niet-werkenden geven juist vaker aan moeite te hebben in het dagelijks leven met het vinden van de juiste organisatie wanneer men hulp nodig heeft en geven vaker aan zich neerslachtig en somber te voelen. 

Op andere punten zijn er geen verschillen gevonden: beide groepen zijn even tevreden met het niveau waarop zij Nederlands spreken en voelen ze zich even vaak zenuwachtig, kalm of rustig. Ook ervaren ze even vaak problemen in het dagelijks leven door de woning waarin ze wonen. Daarnaast zijn er geen verschillen tussen werkenden en niet-werkenden en hun ervaringen met de buurt waarin zij wonen (prettig omgang in de buurt, prettig wonen in de buurt, prettig voelen bij mensen in de buurt, terecht kunnen bij mensen in de buurt, mate van contact met de buren, gevoel er niet bij te horen of thuis te voelen in de buurt).