Bijlagen
In dit hoofdstuk:
- Bijlage 1: Tabel overzicht uitkomsten kernindicatoren
- Bijlage 2: Toelichting op methode van onderzoek
- Bijlage 3: Factoren die de vergelijkbaarheid van onderzoeksresultaten op totaalniveau over de tijd bemoeilijken
- Bijlage 4: Definities inburgering
- Bijlage 5: Enquêteresultaten
Bijlage 1: Tabel overzicht uitkomsten kernindicatoren
In dit onderzoek hebben we voor de diverse leefdomeinen cijfermatige data opgehaald over de positie van inburgeraars in Utrecht op het gebied van ‘zich thuis weten’. De oorspronkelijke 14 onderwerpen die bij de opzet van het eerste onderzoek in 2024 zijn geïdentificeerd als kenmerken van het zich thuis weten van inburgeraars, konden door beperkte ruimte in de enquête niet allemaal worden uitgevraagd. Deels omdat bestanden hiervoor nog niet goed genoeg bruikbaar waren en deels omdat we de enquête aan inburgeraars om communicatie-technische redenen kort moesten houden, waardoor verdiepende vragen voor specifieke, kleine subgroepen (ouders van kinderen, inburgeraars die een opleiding volgen) niet zijn opgenomen.
Onderstaande tabel laat een overzicht zien van de resultaten voor 2026, uitgesplitst naar asielstatushouders en gezinsmigranten, gezien het verschil in antwoordpatroon.
Tabel 1. Totaaloverzicht uitkomsten op indicatoren (2026)
Bijlage 2: Toelichting op methode van onderzoek
2.1 Aanbieden van de enquête aan inburgeraars
De enquête is in september 2025 per e-mail aangeboden aan 2.303 inburgeraars en werd in zeven talen aangeboden: Nederlands, Arabisch (Syrisch), Tigrinya, Farsi, Dari, Engels en Turks. Dit sluit aan op de omvang van de verschillende herkomstgroepen. In de uitnodiging werd benadrukt dat deelname anoniem is en de gegevens vertrouwelijk verwerkt worden.
Via inburgeringscoaches is het belang van het onderzoek extra onderstreept en opgeroepen de enquête in te vullen. Er is omwille van de gevoeligheid en het risico op sturing bewust niet gekozen voor actieve hulp bij het invullen. Om de respons verder te bevorderen zijn 5 bonnen van €50 onder de deelnemers verloot.
We werkten met een ‘gesloten link’, waardoor alleen de persoon die de uitnodiging krijgt de enquête (eenmalig) kan invullen met een persoonlijk wachtwoord. Zo is er controle op wie de enquête invult en of deze respondent tot de doelgroep behoort. De respondenten kregen drie weken de tijd om te reageren. Na één week volgde een herinnering aan de groep die nog niet heeft gereageerd.
2.2 Beschrijving van de steekproef
De totale populatie inburgeraars voor deze peiling (2026) bestaat uit 2573 personen. Dit zijn inburgeraars die bij de gemeente Utrecht bekend zijn voor een inburgeringstraject na 1 september 2023 onder de nieuwe wetgeving (WI2021). Personen zonder actief dossier zijn niet opgenomen, tenzij er sprake is van vrijstelling, een mbo-2 opleiding is gestart of het inburgeringstraject is afgerond tussen peiling 2024 en peiling 2025 (peildatum 1 september). Voor 270 deelnemers is geen [uniek] emailadres beschikbaar. Deze groep deelnemers kan niet worden uitgenodigd voor het onderzoek en valt daarom buiten het steekproefkader (n=2303).
Gezien de omvang van het steekproefkader is besloten geen steekproef te trekken en alle deelnemers een enquête te sturen. Na twee weken is 24% van de uitgestuurde enquêtes beantwoord door 546 respondenten. De gezondheidsvragen in de enquête zijn optioneel. Respondenten die de enquête voortijdig hebben beëindigd, bij aanvang van of gedurende het gezondheidsblok, zijn opgenomen in het responsbestand. Respondenten met een onvolledige respons op de vragen vòòr het gezondheidsblok zijn niet opgenomen in het responsbestand. In tabel 2 is de opbouw van de populatie, het steekproefkader en de respondentengroep in beeld gebracht.
Tabel 2. Opbouw van populatie, steekproefkader [uitgenodigde deelnemers] en respondenten
2.3 Opzet expertpoolsessie
Om een beter beeld te krijgen van het verhaal achter de cijfermatige resultaten van de enquête is er met asielstatushouders gesproken in een groepssessie (de expertpool), begeleid door onderzoeksbureau OpenEmbassy. Deze sessie duurde een dagdeel en hier hebben 13 asielstatushouders aan deelgenomen. Vanwege omstandigheden zijn later nog twee asielstatushouders separaat geïnterviewd. De asielstatushouder kreeg een cadeaubon van €50,- als vergoeding. We hebben de vertaling van de gespreksverslagen in het Nederlands en het Engels ontvangen ten behoeve van de analyse.
Aanpak
De expertpool is een participatieve methode waarin statushouders in Utrecht op een veilige, narratieve manier hun ervaringen delen over het combineren van inburgering en werk. Een expertpool bestaat uit 15 deelnemers die communiceren in hun meest comfortabele taal.
De doelgroep van de expertpoolsessie is afgebakend op asielstatushouders (geen gezinsmigranten) die inburgeren in Utrecht. Omdat de focus van dit onderzoek ligt op inburgering en werk, zijn asielstatushouders die de Onderwijsroute doen uitgesloten, omdat zij richting een opleiding begeleid worden. Er zijn alleen asielstatushouders geworven die op dat moment betaald werk hadden, of asielstatushouders die recent (afgelopen jaar) in Nederland betaald werk hebben gehad. Diversiteit is nagestreefd op kenmerken zoals geslacht, leeftijd en afkomst. De werving verliep via persoonlijke netwerken, sleutelpersonen, organisaties en de OpenEmbassy-community. Ook zijn deelnemers geworven die al deel hadden genomen aan de enquête onder inburgeraars. Daar was een vraag opgenomen of ze interesse hadden om verder te praten over hun ervaringen met werk in combinatie met inburgeren. De werving verliep via een tweefasenaanpak om de inclusiviteit te borgen. In de eerste fase konden inburgeraars zich bij OpenEmbassy melden die bereid waren mee te doen aan de expertpool. In de tweede fase is het deelnemersbestand aangescherpt om juist de groepen die minder gerepresenteerd zijn te bereiken.
Omwille van persoonlijke en praktische omstandigheden van deelnemers, onder andere ziekte en gebeurtenissen in het land van herkomst, zijn er in de uitvoering ook op een later moment twee asielstatushouders door middel van een duo interview geïnterviewd. Deze respondenten hebben dezelfde vragen gekregen, in een iets andere setting. Alle resultaten zijn samengenomen en meegenomen in de analyse.
De expertpool bestond uit 15 asielstatushouders met een diverse achtergrond:
- Herkomst: de deelnemers komen uit verschillende herkomstlanden, zoals Syrië, Jemen en Iran.
- Leerroute: 14 deelnemers volgen de B1-route, 1 deelnemer volgt de Z-route.
- Leeftijd: het grootste deel is tussen de 31 en 45 jaar oud.
- Geslacht: Er deden 4 vrouwen mee en 11 mannen.
- Opleiding: 11 deelnemers zijn theoretisch opgeleid. 4 deelnemers zijn praktisch opgeleid of ‘middle-level educated’.
- Woonsituatie: 8 deelnemers wonen alleen, 7 deelnemers wonen met partner en/of kinderen. 4 van deze 7 deelnemers hebben kinderen.
- Taalniveau: 7 deelnemers hebben het taalniveau B1, 8 deelnemers hebben het taalniveau A2.
- Werk: 4 deelnemers hebben het afgelopen jaar in Nederland gewerkt, maar op het moment van de expertpool niet meer. De andere 11 deelnemers waren op dat moment werkzaam (voltijd of deeltijd).
Opbouw van de sessie
De expertpool bestond uit één sessie van een dagdeel. Vooraf vindt een intake plaats waarin het doel wordt toegelicht en deelnemers geïnformeerd toestemming geven. Zij kregen een voorbereidingsopdracht: het interviewen van 2-3 personen uit hun netwerk om bredere ervaringen op te halen. Uit de antwoorden van de deelnemers waarin zij hun inzichten delen op basis van de peer-interviews blijkt dat ongeveer de helft van de deelnemers mensen hebben geïnterviewd, variërend van 1 tot 5 mensen. Het geschatte bereik is daarmee 21 tot 25 personen.
De sessie is opgedeeld in twee inhoudelijke delen:
Deel 1: Ervaringen met het combineren van werk en inburgering
- Hoe ervaren statushouders deze combinatie?
- Welke factoren bevorderen of belemmeren een succesvolle balans?
Deel 2: Ondersteuningsbehoeften
- Welke ondersteuning is volgens asielstatushouders nodig om werk en inburgering beter te combineren?
- Wie zou deze ondersteuning volgens hen moeten of kunnen bieden?
Bijlage 3: Factoren die de vergelijkbaarheid van onderzoeksresultaten op totaalniveau ten opzichte van de vorige meting bemoeilijken
In de oorspronkelijke opzet zouden de resultaten van de vorige metingen worden vergeleken met de huidige meting. Helaas is niet mogelijk om de resultaten van de enquête allemaal één op één te vergelijken met de vorige metingen, om de volgende redenen:
- Diversiteit van de groep inburgeraars:
De groep inburgeraars is zeer divers, wat veel uitmaakt voor wie er uiteindelijk in het onderzoek komen. Drie voorbeelden:- Verhouding asielstatushouders en gezinsmigranten: de verhouding tussen deze twee groepen is bepalend omdat asielstatushouders en gezinsmigranten een andere reis afleggen om in Nederland te komen, wat terug te zien is in hun ervaringen en een ander antwoordpatroon. Dit maakt het onduidelijk of verschillen tussen de metingen op totaalniveau echte verschillen zijn, of veroorzaakt worden door een andere verhouding tussen asielstatushouders en gezinsmigranten in de responsgroep.
- Verhouding naar herkomstland: per jaar kan er verschil zijn in de landen waar inburgeraars vooral vandaan komen. Daardoor kan er ook verschil zijn in de omstandigheden waaronder mensen naar Nederland komen en in de ervaringen die zij hier hebben.
- Verhouding inburgeraars die kort versus langer met het inburgeringstraject bezig zijn: een inburgeringstraject duurt 3 jaar. Als er in de ene meting veel meer inburgeraars zitten die net gestart zijn, is de kans groter dat zij bijvoorbeeld nog geen betaald werk hebben. Als we over tijd een “afname” rapporteren in het aandeel inburgeraars dat betaald werk heeft, kan dit ook veroorzaakt worden doordat de respondentengroep meer ‘startende’ inburgeraars bevat dan de vorige keer.
- De grootte van de onderzoeksdoelgroep:
Gezien het aantal inburgeraars in Utrecht en een netto respons van ongeveer 500 respondenten, is het essentieel om alle beschikbare respons te benutten om het onderzoek voldoende basis te geven. Omdat deze groep wat groter is dan de vorige meting is het dit jaar wel mogelijk om bij een aantal vergelijkbare vragen de resultaten globaal te vergelijken met het eerste onderzoek onder inburgeraars, de rapportage uit 2024. De kenmerken van de groep respondenten in 2024 kwam namelijk beter overeen met de populatie inburgeraars in Utrecht, dan in 2025. HeHHet vergelijken van de resultaten met het tweede onderzoek - de rapportage uit 2025 - is niet mogelijk vanwege onderzoeksdoelgroep in 2025. Deze respondentengroep was te afwijkend van de daadwerkelijke populatie. - Gelijke kans op deelname voor alle inburgeraars:
Er is geen steekproef getrokken. In plaats daarvan is iedereen die tot de doelgroep behoort uitgenodigd. We willen alle inburgeraars de kans bieden om hun mening te geven, waarbij iedere mening even zwaar telt. En we hebben alle respons nodig (zie ook het punt hierboven). Respondenten in de peiling zijn dus opgenomen op basis van zelfselectie. Hierdoor zal vertekening ontstaan. Bijvoorbeeld omdat de enquête wordt ingevuld door inburgeraars die geletterd zijn (in hun moedertaal), die een eigen e-mailadres beheren en die voldoende tijd, ruimte, rust, vertrouwen en motivatie hebben om een enquête vanuit de gemeente in te vullen. Er kunnen ook andere factoren meespelen die wij niet kennen. Daardoor is er geen sprake meer van een willekeurige selectie inburgeraars. De consequentie daarvan is dat de groep respondenten niet representatief is voor alle inburgeraars. Dit geldt ook voor eerdere peilingen. Geschatte gemiddelde uitkomsten gelden voor personen in de peiling, niet voor alle asielstatushouders of gezinsmigranten. Toch vinden wij de resultaten indicatief en biedt het de mogelijkheid om het gesprek er met elkaar over aan te gaan. We bouwen met meerdere peilingen een kennisbasis op, om zo de resultaten steeds beter te kunnen duiden. Als de respons in de toekomst op peil blijft dan is het wellicht ook mogelijk om de resultaten beter over de tijd te vergelijken.
Bijlage 4: Definities inburgering
4.1 Inburgeringsplichtigen
Er zijn veel groepen migranten, met elk een andere definitie. Zo wordt met regelmaat – ook in gemeentelijke communicatie – de term nieuwkomer gebruikt. Daarnaast worden in de spreektaal begrippen als inburgeraar en vluchteling regelmatig door elkaar gebruikt. Echter is niet iedere vluchteling een inburgeraar (bijvoorbeeld als er – nog – geen sprake is van een verblijfsstatus) en is niet iedere inburgeraar een (voormalig) vluchteling. Inburgeraars kunnen ook afkomstig zijn uit veilige, westers georiënteerde landen buiten de Europese Unie.
Dit onderzoek richt zich op degenen die (sinds 1 januari 2022) ten tijde van het veldwerk inburgeringsplichtig zijn binnen de gemeente Utrecht onder de Wet Inburgering 2021.
4.2 Leerroutes die leiden tot ‘meedoen’
De inburgeringstrajecten die de gemeente aanbiedt hebben als doel dat de inburgeraar kan ‘meedoen’ naar de eigen capaciteiten. Dit kan zijn betaald werk, het volgen van een opleiding en/of het participeren via onder andere vrijwilligerswerk. Tijdens de inburgeringstrajecten wordt door de gemeente dan ook vastgesteld welke leerroute voor een inburgeraar het meest geëigend is.
Het gaat om drie, door de Rijksoverheid vastgestelde, leerroutes:
- de B1-route: die bedoeld is voor een combinatie van taal verwerven en kunnen werken of vrijwilligerswerk kunnen doen. Inburgeringsplichtigen worden hierin geacht binnen maximaal drie jaar de Nederlandse taal op B1 niveau te kunnen spreken en schrijven. Veruit het grootste deel van de Utrechtse inburgeraars bevindt zich in deze route.
- de onderwijsroute: vooral bedoeld voor jongeren. Zij leren de Nederlandse taal op niveau B1 of hoger en worden eveneens voorbereid op het volgen van een mbo-, hbo- of universitaire opleiding.
- de zelfredzaamheidsroute: bedoeld voor inburgeringsplichtigen waarvoor route 1 en 2 te moeilijk is. Zij leren de Nederlandse taal op een lager niveau (A1) en worden voorbereid om via participatie mee te doen in de Nederlandse samenleving.
Gezinsmigranten betalen hun inburgering zelf. De gemeente stelt wel de te volgen leerroute vast en kan adviseren over een mogelijk passende onderwijsinstelling. Jonge gezinsmigranten en nareizigers worden – vanwege de leer- en kwalificatieplicht –pas inburgeringsplichtig als zij 18 jaar worden.
Bijlage 5: Enquêteresultaten
Voor de leesbaarheid van het rapport is er voor gekozen om de kernindicatoren ten aanzien van de opgave ‘Thuis Weten van Inburgeraars’ die gaan over (vrijwilligers-) werk en opleiding gaan weer te geven in hoofdstuk 2, vanwege de link met tweede onderzoeksvraag. Alle andere kernindicatoren worden weergegeven en beschreven in deze bijlage.
5.1 Enquêteresultaten over Nederlands leren en spreken
In deze peiling hebben we inburgeraars vragen gesteld over het leren en spreken van de Nederlandse taal. Een onderdeel hiervan is taalles. Voor asielstatushouders is dit een verplicht onderdeel van de inburgering. Ook gezinsmigranten en overige migranten kunnen taallessen nemen. Zij moeten echter wel zelf hun leerroute regelen en betalen. Deze paragraaf geeft een overzicht van de antwoorden van asielstatushouders en gezinsmigranten op vragen Nederlands leren en spreken. Dit geeft inzicht in hoe respondenten in deze peiling het spreken van Nederlands ervaren.
Figuur 5.1 - Ik ben tevreden met het niveau waarop ik Nederlands spreek
- Van de asielstatushouders in deze peiling is 39% (zeer) tevreden het niveau waarop zij Nederlands spreken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling is 30% (zeer) tevreden met het niveau waarop zij Nederlands spreken.
Figuur 5.2 - Ik vind het spannend om Nederlands te spreken
- Van de asielstatushouders in deze peiling vindt 87% het spannend om Nederlands te spreken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling vindt 70% het spannend om Nederlands te spreken.
Figuur 5.3 – Aandeel inburgeraars dat problemen heeft in het dagelijks leven door moeilijkheden met het spreken van Nederlands
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 59% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door moeilijkheden met het spreken van Nederlands.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 47% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door moeilijkheden met het spreken van Nederlands.
- Ten opzichte van de rapportage uit 2024 lijkt het aandeel dat problemen heeft in het dagelijks leven door moeilijkheden met het spreken van Nederlands bij beide groepen te zijn afgenomen.
5.1.2 Aandeel inburgeraars die wel of geen taalles volgen en hoe zij aankijken tegen het Nederlands spreken
Figuur 5.4 - Aandeel asielstatushouders en gezinsmigranten dat taalles volgt
- Het merendeel van de asielstatushouders in deze peiling volgt taalles (74%).
- Van de gezinsmigranten in deze peiling volgt ongeveer de helft taalles (48%).
Om de resultaten verder te verdiepen, en voldoende respondenten te hebben om vragen met elkaar te kunnen kruisen, voegen we de asielstatushouders en gezinsmigranten samen tot de groep inburgeraars die taalles volgt versus de groep die geen taalles volgt.
Figuur 5.5 – Tevredenheid van inburgeraars (asielstatushouders en gezinsmigranten) die taalles volgen over het niveau waarop zij Nederlands spreken
- Van de inburgeraars die aangeven taalles te volgen (asielstatushouders en gezinsmigranten) is 34% (zeer) tevreden over het niveau waarop zij Nederlands spreken.
- Van de inburgeraars die aangeven géén taalles te volgen (asielstatushouders en gezinsmigranten) is 35% (zeer) tevreden over het niveau waarop zij Nederlands spreken.
Figuur 5.6 – Aandeel inburgeraars (asielstatushouders en gezinsmigranten) dat taalles volgt en het spannend vinden om Nederlands te spreken
- Van de inburgeraars die aangeven taalles te volgen (asielstatushouders en gezinsmigranten) vindt 85% het spannend om Nederlands te spreken.
- Van de inburgeraars die aangeven géén taalles te volgen (asielstatushouders en gezinsmigranten) vindt 69% het spannend om Nederlands te spreken.
Figuur 5.7 – Aandeel inburgeraars (asielstatushouders en gezinsmigranten) dat taalles volgt en door de taalles makkelijker:
Van de inburgeraars die aangeven taalles te volgen (asielstatushouders en gezinsmigranten) geeft:
- 89% aan dat zij makkelijker dingen zelf kunnen doen door het volgen van taalles.
- 89% aan dat zij makkelijker contact maken met anderen door het volgen van taalles.
Toch ervaren asielstatushouders en gezinsmigranten ook regelmatig problemen in het dagelijks leven door moeilijkheden met het spreken van Nederlands (zie figuur 5.3).
5.2 Enquêteresultaten over gezondheid en welzijn
Als gemeente houden we zicht op de gezondheid en welzijn van Utrechters door de tweejaarlijkse Gezondheidsmonitor volwassenen en ouderen. Een aantal vragen uit dit onderzoek hebben we ook aan inburgeraars gesteld. Daarnaast hebben we de inburgeraars een aantal extra vragen gesteld. Deze paragraaf geeft een overzicht van de antwoorden van asielstatushouders en gezinsmigranten op deze vragen. Waar mogelijk presenteren we dit naast de antwoorden die Utrechters van 18 jaar en ouder in 2024 gegeven hebben. Dit geeft inzicht in hoe de inwoners (in deze peiling) hun gezondheid en welzijn ervaren.
5.2.1 Inburgeraars over hun eigen gezondheid
Figuur 5.8 – Hoe is over het algemeen uw gezondheid?
- Van de asielstatushouders in deze peiling heeft 58% een (zeer) goed ervaren gezondheid.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling heeft 74% een (zeer) goed ervaren gezondheid.
- In Utrecht heeft 79% van de volwassenen een (zeer) goede gezondheid (2024).
Figuur 5.9 – Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door lichamelijke gezondheid
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 34% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door hun lichamelijke gezondheid.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 17% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door hun lichamelijke gezondheid.
Figuur 5.10 – Voelde u zich erg zenuwachtig?
- Van de asielstatushouders in deze peiling voelde 44% zich voortdurend, meestal of vaak erg zenuwachtig in de afgelopen vier weken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling voelde 29% zich voortdurend, meestal of vaak erg zenuwachtig in de afgelopen vier weken.
- 23% van de asielstatushouders in deze peiling voelde zich zelden of nooit zenuwachtig. Bij gezinsmigranten betreft dit ongeveer een derde van de respondenten (32%).
- In Utrecht geeft 13% van de volwassenen aan zich voortdurend, meestal of vaak erg zenuwachtig te voelen (2024). 59% van de Utrechters geeft aan zich zelden of nooit erg zenuwachtig te voelen in de afgelopen vier weken.
Figuur 5.11 – Voelde u zich kalm en rustig?
- Van de asielstatushouders in deze peiling voelde 49% zich voortdurend, meestal of vaak kalm en rustig in de afgelopen vier weken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling voelde 64% zich voortdurend, meestal of vaak kalm en rustig in de afgelopen vier weken.
- In Utrecht geeft 73% van de volwassenen aan zich voortdurend, meestal of vaak kalm en rustig te voelen (2024).
Figuur 5.12 – Voelde u zich neerslachtig en somber?
- Van de asielstatushouders in deze peiling voelde 33% zich voortdurend, meestal of vaak neerslachtig en somber in de afgelopen vier weken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling voelde 23% zich voortdurend, meestal of vaak neerslachtig en somber in de afgelopen vier weken. Ook in de gesprekken met inburgeraars en professionals worden neerslachtige gevoelens en somberheid benoemd.
- In Utrecht geeft 10% van de volwassenen aan zich voortdurend, meestal of vaak neerslachtig en somber te voelen (2024).
Figuur 5.13 – Voelde u zich gelukkig?
- Van de asielstatushouders in deze peiling voelde 53% zich voortdurend, meestal of vaak gelukkig in de afgelopen vier weken.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling voelde 70% zich voortdurend, meestal of vaak gelukkig in de afgelopen vier weken.
-
In Utrecht geeft 75% van de volwassenen aan zich voortdurend, meestal of vaak gelukkig te voelen (2024).
5.3 Enquêteresultaten (financiële) zelfredzaamheid
In deze peiling hebben we inburgeraars vragen gesteld over hun financiële situatie en - zelfredzaamheid. In een enkel geval presenteren we dit naast het antwoord van Utrechters in 2025. De andere vragen zijn niet eerder op dezelfde manier aan Utrechters gesteld. Deze paragraaf geeft een overzicht van de antwoorden van asielstatushouders en gezinsmigranten in deze peiling. Dit geeft informatie over hoe zij hun financiële situatie en - zelfredzaamheid beoordelen.
5.3.1 Financiële zelfredzaamheid
Figuur 5.14 – Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door de financiële situatie
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 41% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door hun financiële situatie.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 24% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door hun financiële situatie.
5.3.2 Hulp bij geldzaken
Figuur 5.15 – Ontvangt hulp bij geldzaken en administratie omdat het zelf niet lukt
- Van de asielstatushouders in deze peiling ontvangt 40% hulp bij geldzaken en administratie omdat het zelf niet lukt.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling ontvangt 22% hulp bij geldzaken en administratie omdat het zelf niet lukt.
- 11% van de Utrechters ontvangt hulp bij geldzaken en administratie omdat het zelf niet lukt.
- Van de asielstatushouders in deze peiling wil 24% graag hulp bij geldzaken en administratie maar weet niet waar het die kan krijgen.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling wil 24% graag hulp bij geldzaken en administratie maar weet niet waar het die kan krijgen.
- 36% van de asielstatushouders en 54% van de gezinsmigranten in deze peiling geeft aan geen hulp nodig te hebben bij geldzaken en administratie.
Figuur 5.16 – Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door moeite met het vinden van de juiste organisatie wanneer men hulp nodig heeft
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 40% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door het niet kunnen vinden van de juiste organisatie wanneer men hulp nodig heeft.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 28% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door het niet kunnen vinden van de juiste organisatie wanneer men hulp nodig heeft.
5.4 Enquêteresultaten sociale verbinding en de leefomgeving
Als gemeente stellen we Utrechters vragen over sociale verbinding en hun leefomgeving. Deze vragen hebben we ook aan inburgeraars gesteld. Daarnaast hebben we de inburgeraars een aantal extra vragen gesteld. Deze paragraaf geeft een overzicht van de antwoorden van asielstatushouders en gezinsmigranten op vragen over sociale verbinden en hun leefomgeving. Waar mogelijk presenteren we dit naast de antwoorden die Utrechters in 2025 gegeven hebben. Dit geeft inzicht in hoe de inwoners (in deze peiling) hun buurt ervaren.
5.4.1 Netwerk en contacten
Figuur 5.17 – De mensen in deze buurt gaan op een prettige manier met elkaar om
- Van de asielstatushouders in deze peiling vindt 69% dat de mensen in hun buurt op een prettige manier met elkaar omgaan.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling vindt 73% dat de mensen in hun buurt op een prettige manier met elkaar omgaan.
- 70% van de Utrechters vindt dat de mensen in hun buurt op een prettige manier met elkaar omgaan.
Figuur 5.18 – Het is niet leuk om in deze buurt te wonen
- Van de asielstatushouder in de peiling geeft 18% aan het niet leuk te vinden om in hun buurt te wonen ((zeer) mee eens).
- Van de gezinsmigranten in de peiling geeft 15% aan het niet leuk te vinden om in hun buurt te wonen ((zeer) mee eens).
- Zo’n 9% van de Utrechters vindt het niet leuk om in hun buurt te wonen ((zeer) mee eens).
Figuur 5.19 – Ik voel me prettig bij de mensen die in deze buurt wonen
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 72% geeft aan zich prettig te voelen bij de mensen die in de buurt wonen.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 77% aan zich prettig te voelen bij de mensen die in de buurt wonen.
- Van alle Utrechters geeft 63% aan zich prettig te voelen bij de mensen die in de buurt wonen.
Figuur 5.20 – Er zijn mensen bij wie ik terecht kan
- 52% van de asielstatushouders in deze peiling geeft aan dat er mensen zijn bij wie zij terecht kunnen.
- 57% van de gezinsmigranten in deze peiling geeft aan dat er mensen zijn bij wie zij terecht kunnen.
- Utrechters geven vaker aan dat er mensen zijn bij wie zij terecht kunnen (85%) dan asielstatushouders én gezinsmigranten.
- Ten opzichte van de rapportage uit 2024 lijkt het aandeel dat het (zeer) eens is met deze stelling voor beide groepen te zijn afgenomen.
Figuur 5.21 – Ik heb veel contact met mijn buren
- 28% van de asielstatushouders in deze peiling is het (zeer) eens met de stelling dat zij veel contact hebben met hun buren.
- 29% van de gezinsmigranten in deze peiling is het (zeer) eens met de stelling dat zij veel contact hebben met hun buren.
- 29% van de gezinsmigranten in deze peiling is het (zeer) eens met de stelling dat zij veel contact hebben met hun buren.
Figuur 5.22 – Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door gevoel er niet bij te horen of niet thuis te voelen
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 23% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door het gevoel er niet bij te horen of niet thuis te voelen. 58% van de asielstatushouders geeft aan geen problemen te ervaren door het gevoel er niet bij te horen of niet thuis te voelen.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 30% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door het gevoel er niet bij te horen of niet thuis te voelen. 54% van de gezinsmigranten geeft aan geen problemen te ervaren door het gevoel er niet bij te horen of niet thuis te voelen.
- Ten opzichte van de resultaten uit de rapportage uit 2024 lijken deze resultaten stabiel.
5.4.2 Huisvesting
Figuur 5.23– Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door de woning waarin men woont
- Van de asielstatushouders in deze peiling geeft 19% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door de woning waarin zij wonen.
- Van de gezinsmigranten in deze peiling geeft 17% aan problemen in het dagelijks leven te ervaren door de woning waarin zij wonen.
5.5 Welkomhuis
Figuur 5.24 – Kent u het Welkomhuis?
- 37% van de asielstatushouders in deze peiling geeft aan het Welkomhuis te kennen en er wel eens geweest te zijn. 24% van deze asielstatushouders kent het Welkomhuis wel, maar is er nog niet geweest. 39% geeft aan het Welkomhuis niet te kennen.
- 15% van de gezinsmigranten in deze peiling geeft aan het Welkomhuis te kennen en er wel eens geweest te zijn. 26% van deze asielstatushouders kent het Welkomhuis wel, maar is er nog niet geweest. 59% geeft aan het Welkomhuis niet te kennen.