8. Netwerken op orde
Het is de ambitie om de groei van de stad zonder groei van het autogebruik gepaard te laten gaan. Om de groei van de mobiliteit op te vangen met lopen, fietsen en openbaar vervoer moeten deze netwerken worden aangepast. Gezien de beperkte ruimte vraagt dat om keuzes.
In een compacte, groeiende stad is lopen een belangrijke vervoerswijze. Het heeft de meest positieve maatschappelijke effecten: zo is het gezond, milieuvriendelijk, energievriendelijk en ruimte-efficiënt. Daarom stimuleren we lopen als vervoerswijze. Ook willen we dat voetgangers zich veilig kunnen verplaatsen. In dit hoofdstuk staan cijfers over het aandeel verplaatsingen dat te voet wordt gedaan, de tevredenheid van inwoners over voetpaden/stoepen en de bereikbaarheid van de binnenstad te voet en het aantal ongevallen met voetgangers.
De fiets is een gezonde en aantrekkelijke manier om je te verplaatsen. In dit hoofdstuk staan cijfers over het aandeel verplaatsingen dat met de fiets wordt gedaan. Ook geven we cijfers over de tevredenheid over fietsen en fietsongevallen.
We werken toe naar een robuust OV-netwerk in 2040 waar het openbaar vervoer niet langer (vrijwel) alleen op Utrecht Centraal is gericht, maar de druk beter verspreid is over het netwerk. In dit hoofdstuk staan cijfers over het aantal treinreizigers per station. Ook volgen we het aantal instappers in bussen en trams, geven we inzicht in de herkomsten en bestemmingen van OV-reizigers en volgen we de tevredenheid over de bereikbaarheid van de binnenstad met het ov en de bereikbaarheid van de eigen buurt.
We zorgen voor een goede bereikbaarheid voor noodzakelijk autoverkeer door de hoeveelheid autoverkeer niet te laten groeien en overbelasting van wegen te voorkomen. Dit hoofdstuk bevat een indicator die inzicht geeft in de herkomst van gemotoriseerd verkeer dat naar Utrecht rijdt en intern autoverkeer. Ook bevat dit hoofdstuk cijfers over het aantal personenauto's van en naar de milieuzone. Verder is de ontwikkeling van het P+R gebruik te zien.
8.1 Aandeel lopen in modal split
In 2024 werd op werkdagen 17% van de verplaatsingen binnen, van en naar Utrecht (dus alle verplaatsingen die beginnen en/of eindigen in Utrecht) lopend gedaan. Op weekenddagen was dit 4 procentpunt meer.
Bijna een derde van de verplaatsingen binnen Utrecht (dus de verplaatsingen die beginnen en eindigen in Utrecht) werd in 2024 op werkdagen lopend gedaan (32%), op weekenddagen was dat ook iets meer (35%). Omdat de cijfers van 2024 gecorrigeerd zijn vanwege een methodebreuk in het onderzoek kunnen deze niet één op één vergeleken worden met de jaren ervoor.
8.2 Tevredenheid over lopen
Een kwart van de Utrechters (27%) heeft in hun eigen buurt vaak last van obstakels op de stoep. Dit is gelijk aan 2023.
In sommige wijken wordt relatief meer last ervaren: zo heeft 39% van de inwoners van Binnenstad vaak last van obstakels op de stoep en in Overvecht is dat 35%. Vooral in de subwijken Binnenstad woongebied (42%), Zambesidreef, Tigrisdreef (41%) en Wittevrouwen, Zeeheldenbuurt (41%) wordt veel overlast ervaren. In Leidsche Rijn (12%) en Vleuten-De Meern (17%) ervaren inwoners hier juist minder vaak last van.
Vier op de vijf Utrechters zijn tevreden over de looproute naar de supermarkt (80%). 10% is hierover juist niet tevreden. In Zuid (86%) en Noordoost (84%) zijn inwoners het meest tevreden over de looproute en in Oost (75%) en Zuidwest (74%) juist het minst, zoals is te zien in de figuur hieronder.
In Oost verschilt de tevredenheid sterk tussen de subwijken: in deze wijk wonen de meest tevreden inwoners (in Oudwijk, Buiten Wittevrouwen (95%)) en de minst tevreden inwoners (in Wilhelminapark, Rijnsweerd (55%)) van de stad. In deze laatste subwijk is het aanbod van supermarkten erg beperkt wat deze relatief hoge ontevredenheid mogelijk kan verklaren. Inwoners van deze subwijk geven ook vaker aan dat ze moeite hebben de supermarkt de bereiken.
Bij mensen met een lichamelijke of psychische beperking ligt de tevredenheid wat lager dan stadsbreed (76% is tevreden).
8.3 Voetgangersslachtoffers
Via VeiligheidNL hebben we inzicht in het aantal verkeersslachtoffers dat zorg krijgt van ambulancepersoneel. De cijfers zijn beschikbaar vanaf 2022.
Het aantal voetgangers dat gewond is geraakt op de openbare weg en zorg heeft gekregen van ambulancepersoneel neemt in 2025 na de stijging in de vorige jaren af. In 2025 kregen 272 gewonde voetgangers zorg van ambulancepersoneel. Dat zijn 23 minder gewonde voetgangers dan in 2024 (-8%). Vergeleken met 2022 zijn het er 39 meer (+17%).
De meeste voetgangers raakten gewond bij een eenzijdig ongeval (bijvoorbeeld door te struikelen). Dit gebeurde in 2025 minder vaak dan in 2024. Vergeleken met 2022 zijn het er 16 meer (+12%). De aantallen voetgangers die gewond raakten bij een botsing met een andere verkeersdeelnemer en een obstakel zijn vergelijkbaar met 2024. Vergeleken met 2022 zijn het meer (+17% andere verkeersdeelnemer en +24% obstakel).
In 2025 raakten 68 voetgangers gewond bij een botsing met een andere verkeersdeelnemer. Ruim de helft daarvan (56%) raakte gewond bij een botsing met een auto, dit aantal is groter dan in de drie voorgaande jaren. In de grafiek hieronder is weergegeven waarmee een voetgangers in botsing kwam.
Het aantal voetgangers dat gewond is geraakt bij een botsing met een (elektrische) fiets is iets kleiner dan in 2024, maar groter dan in 2022 en 2023. Omdat dit met uitzondering van de vervoerwijze 'auto' relatief kleine aantallen zijn, fluctueren de cijfers van jaar tot jaar en zijn conclusies over toe- of afname per vervoerwijze niet te trekken.
*Voetgangers betreffen ook verkeersdeelnemers op (elektrische) wieltjes, steps, skateboards, rollators en rolstoelen. Slachtoffers op een scootmobiel zitten hier niet bij.
**Inclusief elektrische fiets/fatbike
***Inclusief speedpedelec
****Motor, scootmobiel, tram, trein, dier of onbekend
8.4 Aandeel fiets in modal split
In 2024 wordt op werkdagen bijna de helft van de verplaatsingen binnen Utrecht (49%) op de fiets gedaan. 1 op de 10 verplaatsingen van en naar Utrecht wordt op werkdagen met de fiets afgelegd. Bij deze langere verplaatsingen kiezen verkeersdeelnemers vooral voor de auto (52%) en het openbaar vervoer (36%).
Bij alle verplaatsingen op werkdagen binnen, van en naar Utrecht, dus alle verplaatsingen die beginnen en/of eindigen in Utrecht, heeft de fiets een aandeel van 30% in 2024.
Verkeersdeelnemers kiezen op werkdagen relatief vaker voor de fiets dan in het weekend. In 2024 wordt op weekenddagen voor 42% van de interne verplaatsingen de fiets gebruikt. Voor 8% van de verplaatsingen van en naar Utrecht wordt de fiets gebruikt. Net als op werkdagen kiezen verkeersdeelnemers voor deze langere verplaatsingen meestal de auto (62%) of het openbaar vervoer (26%).
Bij alle verplaatsingen op weekenddagen binnen, van en naar Utrecht, dus alle verplaatsingen die beginnen en/of eindigen in Utrecht, heeft de fiets een aandeel van 28% in 2024.
8.5 Tevredenheid over fietsen
Vier op de vijf Utrechters zijn tevreden over de fietsroute naar de supermarkt (81%). 8% is hierover juist niet tevreden. Bij mensen met een lichamelijke of psychische beperking ligt de tevredenheid wat lager dan stadsbreed (75% is tevreden).
In Zuid (87%) en Noordoost (86%) zijn inwoners het meest tevreden over de fietsroute en Zuidwest (75%) het minst. In Oost verschilt de tevredenheid sterk per subwijk: bewoners van Oudwijk, Buiten Wittevrouwen zijn het meest tevreden van de hele gemeente (95%), terwijl bewoners van Wilhelminapark, Rijnsweerd (68%) de op één na minst tevreden inwoners zijn. In deze laatste subwijk is het aanbod van supermarkten erg beperkt wat deze relatief hoge ontevredenheid mogelijk kan verklaren. Inwoners van Kanaleneiland zijn het minst tevreden (66%).
8.6 Fietsslachtoffers
Via VeiligheidNL hebben we inzicht in het aantal verkeersslachtoffers dat zorg krijgt van ambulancepersoneel. De cijfers zijn beschikbaar vanaf 2022. Het aantal slachtoffers op een fiets (totaal van niet-elektrisch en elektrisch) neemt af. In 2025 kregen 819 fietsers zorg van ambulancepersoneel. Dat zijn er 10 minder dan in 2024 (-1%) en 183 minder dan in 2022 (-18%). Van deze 819 slachtoffers zaten er tenminste 202 op een elektrische fiets. Dit betreft een ondergrens, er wordt namelijk niet altijd goed geregistreerd of het een elektrische of een niet-elektrische fiets betreft.
Het aantal slachtoffers op een niet-elektrische fiets neemt af. In 2025 raakten 617 fietsers op een niet-elektrische fiets gewond, 38 minder dan een jaar eerder (-6%) en 289 minder dan in 2022 (-32%).
Het aantal slachtoffers op een elektrische fiets neemt daarentegen toe. In 2025 raakten minimaal 202 mensen op een elektrische fiets gewond. Dat zijn er 28 meer dan een jaar eerder (+3%) en 106 meer dan in 2022 (+110%).
In 2025 kregen 377 (elektrische) fietsers zorg van ambulancepersoneel na een botsing met een andere verkeersdeelnemer. Dit is 46% van de fietsslachtoffers. Daarbij was de tegenpartij vooral een auto of een andere (elektrische) fietser. In de grafiek hieronder is weergegeven met welke andere verkeersdeelnemers fietsers zijn gebotst.
In 2024 raakten ongeveer evenveel fietsers gewond bij een botsing met een andere verkeersdeelnemer. Vergeleken met 2022 waren er 21 minder fietsslachtoffers bij botsingen met een auto (-9%) en een brom-snorfiets (-46%) en 22 minder bij botsingen met een andere (elektrische) fiets (-17%) en een andere verkeersdeelnemer (-39%).
Ook kregen 356 (elektrische) fietsslachtoffers zorg van ambulancepersoneel na een eenzijdig ongeval. Dit is 43% van alle fietsslachtoffers in 2025. Dit aantal is kleiner dan in de vorige jaren. Vergeleken met 2022 daalde het aantal met 74 (-17%).
Tot slot raakten in 2025 net als in de twee jaren ervoor 86 fietsers gewond doordat ze tegen een obstakel botsten (zoals een boom of een geparkeerd voertuig). Dit is 11% van de fietsslachtoffers. Dit waren er 23 minder dan in 2022 (-21%).
*Inclusief fatbike
**Inclusief eletrische fiets
***Inclusief speedpedelec
****motor, voetganger, scootmobiel, vrachtwegen, bus, tram of onbekend
8.7 Aandeel OV in modal split
In 2024 werd op werkdagen één op de vijf verplaatsingen binnen, van en naar Utrecht met het openbaar vervoer afgelegd.
Bij verplaatsingen binnen Utrecht speelt het openbaar vervoer een kleine rol. Op werkdagen werd in 2024 bijna 5% met het openbaar vervoer gemaakt. Fietsen en lopen zijn de meest voorkomende verplaatsingswijzen binnen Utrecht. Bij verplaatsingen van en naar Utrecht vervult het openbaar vervoer een belangrijke rol: in 2024 werd op werkdagen ruim één op de drie (36%) hiervan met het openbaar vervoer afgelegd.
Op weekenddagen is het aandeel openbaar vervoer bij verplaatsingen minder groot dan op werkdagen. Van alle verplaatsingen binnen, van en naar Utrecht in 2024 in het weekend werd 14% met het openbaar vervoer afgelegd. Bij verplaatsingen binnen Utrecht was dat 4%, bij verplaatsingen van en neer Utrecht 26%.
8.8 Herkomst OV- reizigers
Onderstaande kaart laat zien wat de herkomst is van verplaatsingen* met het openbaar vervoer met als bestemming de gemeente Utrecht. Een groot deel (44,8%) van de verplaatsingen naar Utrecht wordt gemaakt vanaf buiten de provincie. Deze verplaatsingen worden voornamelijk gemaakt vanuit Noord-Holland (17,0%), Zuid-Holland (11,8%), Gelderland (7,9%) en Noord-Brabant (4,3%). Ook interne verplaatsingen (verplaatsingen van Utrecht naar Utrecht) komen met 36,0% vaak voor. De overige verplaatsingen komen uit andere gemeenten uit de provincie (19,2%). Binnen de provincie komen de verplaatsingen voornamelijk uit Amersfoort (3,4%), Nieuwegein (2,4%) en Zeist (2,0%). Ten opzichte van 2023 en 2024, zijn er nauwelijks verschillen te zien in de verhoudingen tussen de verschillende reisrelaties.
*Bij deze verplaatsingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen bewoners en bezoekers. 'Terugreizen' van bewoners naar Utrecht zitten hier dus bij. Interne reizen die uit twee verplaatsingen bestaan (heen en terug, met minimaal 35 minuten daartussen, zijnde de maximale overstaptijd), tellen mee als twee aparte verplaatsingen
8.9 Reisbewegingen Utrecht Centraal
Utrecht Centraal is het knooppunt van Utrecht waar trein, tram en bus samen komen en de verwachting is dat dit knooppunt de komende jaren steeds zwaarder belast wordt. We volgen daarom hoe het station gebruikt wordt. We kijken daarvoor naar de overstapbewegingen die er plaats vinden en hoe mensen van en naar het station reizen. Deze indicator is nog nieuw en bevat tot nu toe data vanaf 2023.
Op een gemiddelde werkdag arriveren en vertrekken de meeste reizigers die in of uitchecken met de trein. Na de trein komen en gaan de meeste mensen te voet of op de fiets. In 2025 is met name het aantal instappers op de tram aan de centrumzijde toegenomen, met 7%. in 2024 was hier ook al een groei van 16%. Ook de halte van de tram aan de Jaarbeurszijde groeide met 6%. Dit was vorig jaar gedaald door werkzaamheden. Bij de bus zien we afnames, mogelijk door de problemen bij de nieuwe concessie. Voor het gehele station geldt dat het aantal in- en uitstappers gegroeid is met 2% naar bijna 200.000 overstappende reizigers, vorig jaar was de groei 7%.
Hieronder zijn de aandelen per reismogelijkheid weergegeven. Omdat mensen vaak dezelfde heen- en terugreis maken, is de verdeling nagenoeg gelijk. De aandelen zijn ten opzichte van 2023 en 2024 nagenoeg gelijk gebleven, alleen het aandeel dat met de tram op Jaarbeurszijde aankomt, is iets toegenomen.
8.10 In- en uitstappers Utrecht Centraal
In de onderstaande tabel is het aantal in- + uitstappers te zien op een gemiddelde werkdag op de NS-treinstations tot en met 2025. Zoals beschreven in paragraaf 10 zijn de cijfers na 2023 niet helemaal te vergelijken met de jaren ervoor, globaal zijn die 3% te hoog. We laten wel de jaren in de tabel staan om inzicht te geven in de ontwikkeling van de stations. De procentuele groei wordt alleen vanaf 2025 weergegeven.
We zien dat na Utrecht Centraal station Vaartsche Rijn en station Overvecht het meest gebruikt worden. Het hardst gegroeid afgelopen jaar is Leidsche Rijn, met 19% en daarmee het afgelopen jaar het station met de grootste stijging van Nederland. Dit komt door ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving en extra stoppende treinen. Ook station Zuilen kende een behoorlijke groei met 9%. Wel blijft dit het minst gebruikte station. Stations Lunetten en Vaartsche Rijn kenden geen of nauwelijks groei.
8.11 Tevredenheid OV
In de onderstaande grafiek is het oordeel in percentage van de inwoners over de bereikbaarheid van de eigen buurt met het openbaar vervoer weergegeven.
Na een dip in de tevredenheid in 2023 (79% tevreden), is in 2025 82% van de Utrechters tevreden over de ov-bereikbaarheid van hun eigen buurt. In 2021 was dat 83%. 8% van de inwoners is ontevreden.
De tevredenheid verschilt per subwijk, zoals is weergegeven in onderstaande figuur. Het meest tevreden zijn inwoners van Zuid en Binnenstad (beide 87%) en Zuidwest (85%). Zuid valt daarbij op omdat daar de tevredenheid ten opzichte van 2023 het sterkst groeide (79% in 2023). Mogelijk dat het herstel van buslijnen 1 en 8 (die in 2023 bovengemiddeld vaak uitvielen) in 2025 ook zorgt voor het herstel van de tevredenheidscijfers ov-bereikbaarheid.
Bewoners van West zijn het minst tevreden over de ov-bereikbaarheid van hun buurt: 18% van de inwoners is er ontevreden over, terwijl dat stadsbreed 8% is. De ontevredenheid zit vooral in subwijk Oog in Al, Welgelegen: 34% van de inwoners van deze subwijk is ontevreden over de ov-bereikbaarheid van hun buurt (ongeveer evenveel als in 2023). Tot slot zien we ook een relatief grotere ontevredenheid over de ov-bereikbaarheid bij inwoners met een lichamelijke of psychische beperking (11%) en inwoners die niet goed, niet slecht (10%) of slecht (14%) kunnen leven van hun inkomen.
8.12 Herkomsten motorvoertuigen en ritlengtes
Deze indicator geeft inzicht in de herkomst van gemotoriseerd verkeer dat naar Utrecht rijdt. Het mobiliteitsplan zet in op mobiliteitskeuze verandering. Vooral voor korte ritten moet vaker een andere modaliteit dan de auto gekozen worden, waarvoor OV- en fietsverbindingen een goed alternatief moeten zijn. Op basis van floating car data (fcd)* is te achterhalen waar autoverkeer met bestemming gemeente Utrecht vandaan komt. Hiermee kan inzicht verkregen worden in de verplaatsingsafstand en -herkomst. De afbeelding laat zien welk percentage van het totaal aan bestemmingsverkeer, afkomstig is van iedere gemeente in de provincie Utrecht. Dit is inclusief interne ritten, dus ritten met zowel herkomst als bestemming gemeente Utrecht. Bijna de helft van de ritten (47%) zijn interne ritten, hier zoomen we in paragraaf 8.13 verder op in. Verder komt 25% uit overige gemeenten in de provincie en 29% van buiten de provincie. Binnen de provincie hebben met name dichtbij gelegen gemeenten als Stichtse Vecht (3,6%) en Nieuwegein (3,5%) relatief veel verkeer dat naar Utrecht rijdt.
Van alle ritten met de bestemming Utrecht (inclusief interne ritten) is bekeken wat de ritlengte is. De grafiek en tabel hieronder laten zien dat 47% van de ritten korter is dan 10 kilometer en 63% korter dan 20 kilometer. Als we interne ritten niet meenemen, dan is 13% korter dan 10 kilometer en 33% korter dan 20 kilometer. Als we alleen kijken naar de ritten afkomstig uit de overige gemeenten in de provincie Utrecht, dan is 28% korter dan 10 kilometer en 68% korter dan 20 kilometer. De ritlengtes zijn vergelijkbaar met eerdere jaren. De data laat zien dat er afgelopen jaren nog veel autoritten naar Utrecht hebben plaatsgevonden over korte afstanden, zowel vanuit de gemeente Utrecht zelf als vanuit omliggende gemeenten. Hiervoor kunnen de (elektrische) (bak)fiets, speedpedelec en OV alternatieven zijn.
*o.b.v. fcd van sept t/m nov (werkdagen). Bij fcd wordt geen onderscheid gemaakt tussen bewoners en bezoekers. 'Terugritten' van bewoners naar Utrecht zitten hier dus bij. Interne verplaatsingen die uit twee ritten bestaan (heen en terug), tellen mee als twee aparte ritten
8.13 Interne ritten motorvoertuigen en ritlengtes
Wanneer we o.b.v. fcd naar alle ritten kijken met bestemming gemeente Utrecht, zien we dat 47% de gemeente Utrecht ook als herkomst had. Dit zijn dus interne ritten, ongeacht of deze ritten onderweg deels buiten de gemeente hebben plaatsgevonden. Het gaat om alle ononderbroken verplaatsingen met zowel de herkomst als de bestemming binnen de gemeente Utrecht. Een interne verplaatsing met een heen- en een terugrit, telt dus als twee interne ritten.
De afbeelding hierboven laat zien welk deel van dit interne verkeer uit de verschillende wijken afkomstig is. Dat gaat niet alleen over de inwoners van die wijk, want ook bezoekers van een wijk die een interne rit maken, kunnen in die bezochte wijk een interne rit starten, bv. naar huis. De wijken Zuid, Binnenstad, Noordoost en Noordwest hebben relatief de laagste aandelen van het interne verkeer, met 4,8% tot 7,5%. Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn scoren relatief hoog, met 17,1% en 16,7%. Van alle interne ritten in Utrecht, is 40% een rit die ook binnen de eigen wijk blijft. Dit percentage is het laagst in Zuid (26%) en het hoogst in Vleuten-De Meern (55%).
Van alle interne ritten is bekeken wat de ritlengte is. De grafiek hieronder laat zien dat bijna een kwart van alle interne ritten korter is dan 2 kilometer, 50% korter is dan 4 kilometer, en 86% korter is dan 10 kilometer. De ritlengtes van interne ritten zijn vergelijkbaar voor 2023 en 2024, al lijkt het aandeel ritten korter dan 2 kilometer iets te dalen.
De data laat zien dat er veel korte interne ritten worden gemaakt. Het reismotief van deze ritten is niet bekend, zo kan een deel van de ritten een onderdeel zijn van een langere verplaatsing, waarbij een tussenstop tot een opsplitsing in kortere ritten heeft geleid. Desondanks laten deze cijfers zien dat er nog veel korte autoritten plaatsvinden, die deels ook met een alternatieve, duurzamere vervoersmodaliteit gemaakt hadden kunnen worden.
8.14 P+R gebruik
De gemeente Utrecht heeft vier P+R's: Westraven, Papendorp, Berlijnplein en Utrecht Science Park. Het aantal parkeerplekken op deze P+R's is gelijk aan dat van de afgelopen drie jaren (2.694 op werkdagen en 4.755 in het weekend). Bezoekers kunnen parkeren voor €7,50 per dag mits ze (met maximaal vijf personen) met het openbaar vervoer naar het centrum reizen en weer terug. In 2024 betaalden ze hiervoor € 7,00, in 2023 was dit € 6,30 en in 2020 - 2022 kostte het € 6,00.
Na het lage gebruik in de jaren met coronamaatregelen, neemt het P+R gebruik weer toe. In 2025 parkeerden bijna 190.000 automobilisten hun auto op één van de vier P+R's om verder te reizen met het openbaar vervoer*. Dat is 10% meer dan in 2024 en 24% meer dan in 2023.
Het aantal verkochte P+R kaartjes in 2025 per P+R (afgerond op honderdtallen):
- P+R Westraven: 139.200
- Utrecht Science Park: 40.500
- P+R Berlijnplein: 6.400
- P+R Papendorp: 3.900
*Als gevolg van een storing zijn de aantallen gebruikers van Westraven, Papendorp en Berlijnplein in januari-april 2025 niet beschikbaar. Deze aantallen zijn geschat.
8.15 Conclusies
Merendeel inwoners tevreden over lopen
Bijna een derde van de verplaatsingen binnen Utrecht (dus de verplaatsingen die beginnen en eindigen in Utrecht) werd in 2024 op werkdagen lopend gedaan (32%). Op weekenddagen was dat iets meer, 35%. Vier op de vijf Utrechters zijn tevreden over de looproute naar de supermarkt (80%). 10% is hierover juist niet tevreden.
Het aantal gewonde voetgangers dat zorg krijgt van ambulancepersoneel neemt in 2025 na de stijging in de vorige jaren af. In 2025 kregen 272 gewonde voetgangers zorg van ambulancepersoneel. Dat zijn er 8% minder dan in 2024, maar nog 17% meer dan in 2022. De meeste voetgangers raakten gewond bij een eenzijdig ongeval (bijvoorbeeld door te struikelen). Dit onderstreept het belang van aantrekkelijke, veilige voorzieningen voor voetgangers.
Bijna de helft van de verplaatsingen binnen Utrecht met de fiets
De fiets is de meest gebruikte vervoerwijze voor verplaatsingen binnen Utrecht. In 2024 werd 49% van deze verplaatsingen met de fiets gedaan. Het aantal fietsslachtoffers neemt af. In 2025 kregen 819 fietsslachtoffers (gewone en elektrische fiets) zorg van ambulancepersoneel. Dat zijn er 10 minder dan in 2024 (-1%) en 183 minder dan in 2022 (-18%). Van deze 819 slachtoffers zaten er tenminste 202 op een elektrische fiets. Het aantal slachtoffers op een elektrische fiets neemt sinds 2022 toe. In 2025 raakten er 28 meer gewond dan een jaar eerder (+3%) en 106 meer dan in 2022 (+110%). De meeste fietsslachtoffers ontstaan door een ongeval met een andere verkeersdeelnemer (46%), gevolgd door eenzijdige ongevallen (43%). De overige 11% ontstaat door een botsing met een obstakel.
Relatief meer treinreizigers op andere stations dan Utrecht Centraal
Op werkdagen werd in 2024 ruim één op de drie verplaatsingen van en naar Utrecht met het openbaar vervoer afgelegd (36%). Bij verplaatsingen binnen Utrecht is het aandeel openbaar vervoer veel lager (5%). Na een dip in 2023 die waarschijnlijk het gevolg was van een afgeschaalde en onbetrouwbare uitvoering van de dienstregeling is in 2025 82% van de inwoners tevreden over de bereikbaarheid van de eigen buurt met het openbaar vervoer.
In 2025 reisden relatief meer treinreizigers via andere stations dan Utrecht Centraal: 84% van alle treinreizigers in Utrecht stapten in of uit op Utrecht Centraal (in 2015 was dit 89%). Dit daagt bij aan het spreiden van de drukte over de stations. Station Leidsche Rijn is het sterkst gegroeid (+19% in 2025) en heeft de grootste groei van Nederland, door ruimtelijke ontwikkelingen en een uitbreiding van de treindienstregeling.
Veel korte autoritten met bestemming Utrecht
Van alle autoritten met bestemming Utrecht is 47% korter dan 10 kilometer, 63% is korter dan 20 kilometer. De ritlengtes zijn vergelijkbaar met eerdere jaren. Hiervoor kunnen de (elektrische) (bak)fiets, speedpedelec en OV alternatieven zijn. Waar 47% van de autoritten naar Utrecht een interne rit is, is dat bij OV-verplaatsingen 36%. Verder komt 25% van de autoritten uit andere gemeenten binnen de provincie Utrecht, bij OV-verplaatsingen is dat 19%. OV-verplaatsingen naar Utrecht komen relatief vaker uit overige provincies (45%) dan autoverplaatsingen (29%). Ook bij verplaatsingen naar Utrecht vanuit de provincie is dit patroon zichtbaar; bij autoverplaatsingen zien we relatief veel verplaatsingen van/naar nabijgelegen gemeenten zoals Stichtse Vecht (3,6%) en Nieuwegein (3,5%), terwijl we bij OV-verplaatsingen vooral reisrelaties zien met gemeenten met goede OV-verbindingen, zoals Amersfoort (3,4%) en Nieuwegein (2,4%). Nieuwegein valt dus op met zowel relatief veel auto- als OV-verplaatsingen naar Utrecht.
P+R gebruik toegenomen
In 2025 parkeerden bijna 190.000 automobilisten hun auto op één van de vier P+R's om verder te reizen met het openbaar vervoer (aantallen Westraven, Papendorp en Berlijnplein januari-april 2025 geschat). Dat is 10% meer dan in 2024 en 24% meer dan in 2023. Dit draagt bij aan het doel om het aantal autoverplaatsingen niet te laten toenemen.