1. Klimaat en energie
Inleiding
Het stroomnet in Utrecht zit nog steeds overvol en de problemen van het overvolle stroomnet nemen toe in Utrecht. In de huidige geopolitieke ontwikkelingen, zoals nu weer in het Midden-Oosten, zien we dat het steeds belangrijker wordt om onafhankelijker te worden van fossiele brandstoffen als stad. Steeds meer bewoners, bedrijven en instellingen merken dat energie schaars wordt. We werken vandaag al aan het energiesysteem van de toekomst, waar energieverbruik, opwek en opslag dichter bij elkaar komen. Zo gaan we zuiniger met energie om en zijn we minder afhankelijk van de buitenwereld voor onze energievoorziening.
Door het nemen van tijdelijke maatregelen in de vorm van congestieverzachters om de ontwikkelingen in de stad te faciliteren zal de uitstoot van CO2 toenemen. Utrecht werkt aan een toekomstig energiesysteem van en voor iedereen dat duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar is. We willen voor onze energievoorziening minder afhankelijk zijn van geopolitieke ontwikkelingen. Dit doen we door zoveel mogelijk verschillende duurzame bronnen te benutten, inwoners en ondernemers te helpen met energie besparen en de infrastructuur klaar te maken voor duurzame energie. Pas als gebouweigenaren op grote schaal overstappen van aardgas naar duurzame warmte, alle geschikte gebieden voor energie opwek zijn ontwikkeld en iedereen structureel energie bespaart, zal de CO2-uitstoot in de stad flink verminderen.
We werken aan de energietransitie onder andere via
- Beleidsnota ‘Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht 2024-2030
- Herijking Regionale Energiestrategie (RES) Utrecht. Onderweg naar 2050.
- Programma Energie besparen 2022-2030
- Beleidsnota warmte 2025-2035
- Uitvoeringsprogramma Elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026
Onze plannen om de CO2 uitstoot in de stad verder te reduceren zijn in de Klimaatvisie opgenomen. Deze is op 2 maart 2026 ter inzage gelegd tot en met 13 april zodat bewoners en bedrijven kunnen reageren op deze plannen.
In 2025 is belangrijke wetgeving voor de invulling van regierol van de gemeente in de energietransitie vastgesteld. In de Beleidsnota warmte die eind 2025 door de raad is vastgesteld zijn anticiperend op deze wetten de gemeentelijke kaders voor de warmtetransitie vastgesteld. In 2025 heeft de gemeenteraad ook de stap gezet om het publieke bedrijf HVC aan te wijzen als het benodigde publieke warmtebedrijf in Utrecht voor de uitvoering van de warmtetransitie. Het rijk verkent op dit moment de mogelijkheden om via publieke deelneming mede-eigenaar te worden van het nu nog private warmtebedrijf van Eneco. Ondanks deze belangrijke stappen is de betaalbaarheid van de overstap voor de inwoners nog niet geregeld, waardoor het overstappen op een warmtealternatief nog niet op grote schaal plaatsvindt.
Hoewel de gasprijzen stabieler lijken dan een aantal jaren terug, moeten we altijd voorbereid zijn op onverwachte ontwikkelingen in de wereld, zoals nu in het Midden-Oosten. Door zowel de heffing op de CO2-uitstoot die vanaf 2027 moet worden betaald als een verplichte bijmenging van groen gas door energiebedrijven is de verwachting dat de gasprijzen de komende jaren sowieso zullen stijgen. Daarom blijven we de komende jaren inzetten op ondersteuning van kwetsbare huishoudens.
Netcongestie
De problemen met de capaciteit van het net zijn in 2025 niet afgenomen. In 2025 is gewerkt aan maatregelen die binnen 1 à 2 jaar de impact van netcongestie kunnen verminderen. Zo zijn bijvoorbeeld aanvragen bij Stedin (netbeheerder) gedaan voor het toepassen van een congestieverzachter in Beurskwartier en Papendorp, zijn bij gemeentelijke vastgoed accu’s geplaatst om de piekbelasting te kunnen opvangen. Bedrijven zijn ondersteund met een energiescan om hun energieverbruik beter en efficiënter in te richten en mogelijk een energiehub kunnen vormen. Ook is de stroomafname beperkt in piekuren (16-19 uur) voor het elektrisch laden van de auto's. Tot slot werken we samen met onze partners aan de noodzakelijke uitbreidingen aan het elektriciteitsnet: voorbereidingen zijn genomen voor een hoog-en middenstation Utrecht Noord en verkenningen gestart op Lage Weide. In 2025 zijn er 21 nieuwe locaties voor nieuwe trafohuisjes bepaald, inclusief trafohuisjes die vervangen moeten worden en een nieuwe plek krijgen. Er zijn 8 nieuwe trafohuisjes gerealiseerd en 11 vervangen. In 2025 hebben we twee locaties beschikbaar gesteld voor het plaatsen van (nood)stroomgeneratoren. Zo kan Stedin een groot deel van het totaal benodigde vermogen vóór de winter realiseren.
In dit hoofdstuk zijn een aantal stedelijke effecten van de energietransitie opgenomen. In de Voortgangsrapportage Energie in de stad zijn meer gedetailleerde resultaten over de activiteiten die zijn uitgevoerd opgenomen.
1.1 CO2 uitstoot
Figuur 1.1.1 CO2 uitstoot (footprint) voor 2015-2024
De klimaatmonitor heeft nog geen gegevens over de uitstoot van 2025. De CO2-uitstoot in de gemeente Utrecht bedraagt in 2024 circa 1,2 miljoen ton CO2*. Tussen 2023 en 2024 daalde de CO2 uitstoot met 3%. In de periode van 2015-2024 daalde de CO2-uitstoot in totaal met 35%. De CO2-uitstoot per inwoner daalde in de periode 2015-2024 harder (-42%) dan de totale uitstoot (-35%), omdat in dezelfde periode het aantal inwoners groeide (12%). Een belangrijke factor in deze daling is de afname van de landelijke CO2-uitstootfactor voor elektriciteit met 60% als gevolg van de vergroening van de opgewekte elektriciteit. Dit maakt dat de stedelijke CO2-uitstoot ten gevolge van het elektriciteitsgebruik daalt.
Zowel in de gebouwde omgeving als bij verkeer en vervoer daalde de uitstoot tussen 2023 en 2024 4%. Dit komt deels doordat de landelijke elektriciteitsmix verder is vergroend door onder andere meer zon en wind op zee. Ook heeft stadswarmte een lagere uitstoot per energie-eenheid.
* Betreft directe CO2 uitstoot van gas en brandstoffen (via vervoerskilometers over de weg, inclusief autosnelwegen) en indirect als het om elektriciteit en stadswarmte levering gaat. Ook is de uitstoot van overige broeikasgassen die omgerekend zijn naar CO2 equivalenten in beeld gebracht.
Figuur 1.1.2 onderverdeling van emissies per sector voor 2024
De emissies van de gebouwde omgeving maken bijna de helft uit van alle emissies. Dit betreft woningen en gebouwen van bedrijven en organisaties die onder de dienstensector vallen. Het gaat om emissies die horen bij het elektriciteitsverbruik, het gasverbruik en de warmtenetten. Verkeer en vervoer maakt 42% uit. Het gaat om het verkeer dat op de Utrechtse wegen rijdt. De uitstoot van de Industrie in Utrecht is 9%.
In deze tabel zien we dat het verbruik van woningen voor 23% van alle emissies zorgt. En binnen Mobiliteit zijn de snelwegen de grootste uitstoter van emissies.
1.2 Energiegebruik
Figuur 1.2.1 energiegebruik 2015-2024
Het totale energiegebruik (zonder mobiliteit) daalde in de periode 2015-2024 met 11%. Tussen 2023 en 2024 steeg het 2%. In heel Nederland steeg dit energieverbruik tussen 2023 en 2024 met 4%. De grootste absolute stijgingen zitten bij het warmte- en gasverbruik van woningen en het zakelijk elektriciteitsverbruik. Het gas- en warmtegebruik is gecorrigeerd voor graaddagen, wat betekent dat de stijging van het warmtegebruik niet kan worden verklaard door verschillen in warme en koude winters.
Het “Programma energie besparen gebouwde omgeving” heeft als doel dat er 35% energiebesparing is in de gebouwde omgeving in 2050 ten opzichte van 2020. In 2024 is er 12,6% besparing gerealiseerd ten opzichte van 2020.
1.3 Zonnestroom vermogen
Figuur 1.3.1 zonnestroom vermogen - cumulatief - in Utrecht (de vlakken - linker as) en Nederland (de lijnen - rechter as)
Het zonnestroomvermogen van opgestelde panelen groeide in 2024 ten opzichte van 2023 met 14% en bereikte een omvang van 232 MWpiek. De groei is absoluut en relatief minder dan de jaren ervoor. De elektriciteitsproductie van deze panelen is gelijk aan het stroomverbruik van zo'n 96.000* Utrechtse woningen. Het groeitempo is door de jaren heen vergelijkbaar met het gemiddelde in Nederland zonder zonnevelden. Waarbij de Utrechtse woningen harder groeien en de niet-woningen wat minder hard.
* Het gemiddeld elektriciteitsverbruik van een Utrechtse woning is 2.140 kWh per jaar. Dit is substantieel onder het landelijk gemiddelde van 2.550 kWh per jaar. De aanname is dat gemiddelde elektriciteitsproductie per zonnepaneel 889 kWh/kWpiek/jaar is (875 tot 2020, 900 erna).
1.4. Aantal bestaande woningen afgesloten van aardgas
Figuur 1.4.1 het aantal bestaande woningen afgesloten van aardgas - per jaar én cumulatief
In bovenstaande grafiek zijn data uit het landelijke centrale aansluitingen register opgenomen. Het zijn woningen waar de gasaansluiting verwijderd is én er nog wel een elektriciteitsaansluiting is. Dit zijn huiseigenaren die waarschijnlijk zijn overgestapt op elektrisch koken en/of verwarmen in de woning. De grote aantallen van woningen die van het aardgas afgaan zijn pas te verwachten als gebouweigenaren op grote schaal gaan overstappen naar een warmtealternatief. Dit zal pas gebeuren als een betaalbaar alternatief voor gebouweigenaren beschikbaar is.
1.5 Zonnestroomvermogen per woning
Figuur 1.5.1 het geregistreerde vermogen zonnestroom per woning voor vier grote gemeenten, 2012-2024
Het geregistreerde vermogen zonnestroom per woning bereikte in 2024 in Utrecht een omvang van 864 kWpiek per woning. Dit is een factor 2 tot 3 hoger dan in de drie andere grote steden. In de groep van 23 zeer sterk stedelijke gemeenten staat Utrecht op de 8e plaats van het gemiddelde aantal zonnepanelen per woning.
1.6 Woningen: energielabels
Figuur 1.6.1 het aantal woningen per label, 2013-2025
Einde 2025 zijn 115.170 woningen in Utrecht voorzien van een geregistreerd label, het aandeel woningen met label is gegroeid naar 68%. Het is niet waarschijnlijk dat de geregistreerde woningen representatief zijn voor alle woningen in Utrecht.
Na tien jaar vervalt een geregistreerd label en is het niet meer geldig. Vanaf 1-1-2021 is het duurder geworden om een label aan te vragen. Wel is een label bij verkoop van de woning verplicht. Het aantal woningen met label is gegroeid met ongeveer 4.000. Hierbinnen daalt het aantal woningen met een slechter label (D,E,F of G) met ruim 3.000 en groeit het aantal woningen met label A of B met 7.000.
Een van de doelstellingen binnen de Global Sustainable Development Goals is adequate, veilige en betaalbare woningen voor iedereen. Woningen met een energielabel E, F en G verdienen extra aandacht voor verbetering. Het gaat om 10% van het aantal geregistreerde woningen in de stad, in 2024 was dat nog 13%.
1.7. Woningcorporatie woningen: E,F en G labels
Figuur 1.7.1 het aantal woningen met label E, F of G
De corporaties leggen zich in de huidige fase van de energietransitie vooral toe op isoleren (en dus niet op het aardgasvrij maken van hun bezit). En dan met name op het wegwerken van de EFG-labels. Het streven is om dat uiterlijk in 2028 voor elkaar te hebben. Ze hebben daar hun planning op ingericht. Het aantal woningen met een E,F of G label is in 2025 gedaald met 24% gedaald tot minder dan 2.000.
1.8 Utiliteitsgebouwen: energielabels
Figuur 1.8.1 het aantal utiliteiten per label, voor zover bekend, 2015- 2025
Bij oplevering, verkoop of verhuur van utiliteitsgebouwen, zoals kantoren, scholen, horeca, sporthallen en ziekenhuizen is sinds 2009 een energielabel verplicht. Eind 2024 hadden 4.960 utiliteitsgebouwen in Utrecht een geregistreerd energielabel, 190 meer dan het jaar ervoor. Die toename zit in het aantal utiliteitsgebouwen met energielabel A, de overige labels veranderen weinig. Het is niet waarschijnlijk dat deze labels representatief zijn voor alle utiliteitsgebouwen in Utrecht, omdat het totaal aantal gebouwen veel groter is. Vanaf 2023 moeten kantoren van meer dan 100 m2 minimaal energielabel C hebben. Kantoren met een slechter energielabel (D t/m G) mogen dan niet meer worden gebruikt. Eind 2024 voldeden alle kantoren die minimaal energielabel C moesten hebben daaraan.
1.9 Duurzame nieuwbouw (G.P.R.)
Figuur 1.9.1 score van vergunningen nieuwbouwwoningen op de gemeentelijke prestatie richtlijn, 2017-2025
Via de GPR (Gemeentelijke Prestatie Richtlijn) wordt de duurzaamheidsscore van projecten bepaald. In 2025 was - van de projecten met een GPR score - het gemiddelde een 8,1 op een schaal van 10. Dat is iets lager dan in 2024 (8,2). De GPR bestaat uit vijf onderdelen die onderling tegen elkaar worden afgewogen tot een gemiddelde. Duurzaamheid wordt vanuit de gemeente zo integraal mogelijk benaderd. Daardoor kan het zo zijn dat bij projecten iets minder aandacht is voor het thema energie ten gunste van andere thema’s zoals groene daken, verblijfskwaliteit, etc. Bij aanbestedingen van woningbouwprojecten werden punten toegekend aan het plan met de hoogste GPR-score. In 2021 is dit systeem verlaten en sindsdien richten we ons wat betreft duurzaamheid meer op innovatieve thema's zoals circulair bouwen of natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen meten we met de indicator MPG (zie hoofdstuk circulair) en met de indicator Herkomst Materialen uit Het Nieuwe Normaal.