Image

5. Natuur – de Utrechtse 30

5.1 Inleiding

Indicatoren Utrechtse biodiversiteit ‘Utrechtse 30’

De gemeente volgt de Utrechtse biodiversiteit aan de hand van 30 soorten (raadsbrief 5 oktober 2021). Het zijn soorten waarvan de trend de effecten van onze beheerinspanningen en ruimtelijke strategie op biodiversiteit deels zichtbaar maakt en die gezamenlijk het brede spectrum van biotopen (bos, water, grasland, steen etc.) omvatten. De huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en ringslang zijn soorten waar wij voorgaande jaren ook over rapporteerden. Jaarlijks wordt dit aangevuld met een paar andere soorten, zodat periodiek alle 30 soorten aan bod komen. De extra soorten voor 2025 zijn kamsalamander, steenuil, blauwborst en orchideeën. 

Niet alle 30 soorten komen jaarlijks terug in het duurzaamheidsverslag vanwege beperkte capaciteit en middelen.  

 

5.2 Huismus

Figuur 5.2.1 trend huismus in Utrecht en landelijk sinds 2007

Infogram URL

De huismus is een vogelsoort die hoort bij de stad. De vogel heeft struiken nodig voor het vinden van voedsel en het verstoppen voor roofdieren. Het verstenen van tuinen en het verdwijnen van groene plekken is een reden voor afname van het aantal huismussen. De huismus maakt zijn nest onder dakpannen of in kieren en gaten in gebouwen. Deze nestplekken kunnen verdwijnen met renovaties of isolatie-werkzaamheden.  

Vrijwilligers tellen voor het Meetnet Urbane Soorten (MUS) alle stadsvogels. De huismus vertoont een matige afname ten opzichte van 2007. Landelijk zien we dat de soort het afgelopen jaar ook verder is afgenomen maar de trend is nog stabiel te noemen. Als onderdeel van de ‘update’ van de ecologische informatie van het Soortmanagementplan SMP (zie 5.10) wordt in 2025-2027 opnieuw geïnventariseerd waar de huismus ‘hotspots’ zijn, de locaties waar meerdere paartjes bij elkaar broeden.  

 

Image
huimus

Bron: Saxifraga.nl, fotograaf: Luc Hoogestein

5.3 Gierzwaluw

Figuur 5.3.1 trend gierzwaluw in Utrecht en landelijk sinds 2007

Infogram URL

De gierzwaluw is voor zijn voortbestaan afhankelijk van nestplekken in gebouwen. Deze vogel brengt zijn hele leven door in de lucht. Alleen voor het broeden verlaat deze vogel het luchtruim. Gierzwaluwen zijn redelijk trouw aan de nestplekken waar zij voorgaande jaren hebben gebroed.  

De trend voor de gierzwaluw in Utrecht is stabiel. Dat is een verbetering ten opzichte van vorig jaar (het geheel is weer op stabiel niveau). De landelijke trend blijft een matige afname. De oorzaak van de uitschieter naar beneden van 2024 is niet bekend. Het kan een waarnemerseffect zijn. Bijvoorbeeld dat er minder tellingen zijn gedaan of door minder ervaren vrijwilligers. De komende jaren moet duidelijk maken hoe stabiel de populatie in Utrecht is. Maar zoals de landelijke trend laat zien blijft het een vogelsoort die het moeilijk heeft in Nederland. Voor de ‘update’ van de ecologische informatie van het Soortmanagementplan SMP (zie 5.10) brengen wij in 2026-2027 de belangrijkste locaties in kaart  waar gierzwaluwen ‘kolonies’ zich bevinden. 

 

5.4 Gewone dwergvleermuis

Figuur 5.4.1 gemiddelde bezetting van vleermuissoorten in de onderzochte VleerMUS-routes

Infogram URL

De gewone dwergvleermuis is een vleermuis die overal voorkomt in Nederland en ook het vaakst gezien wordt in Utrecht. Overwinteren doen ze in winterslaap in de Inktpot en enkele andere hoge gebouwen in de stad. Als ze hun jongen grootbrengen vinden we de zogenaamde kraamgroepen vooral in de buurt van grote parken en wateren waar veel voedsel (insecten) aanwezig is. Sloop, verbouwings- en isolatiemaatregelen kunnen ervoor zorgen dat het aantal verblijfplaatsen in de stad afneemt.  

Om de voor- of achteruitgang van stadsvleermuizen te volgen is het meetnet VleerMUS in 2016 opgestart. De routes van dit meetnet zijn in 2025 voor het negende jaar gefietst. De resultaten hiervan hebben we in de loop van 2026 en worden in 2027 in het duurzaamheidsverslag getoond. De resultaten in het figuur hierboven zijn van 2024. Het duurt ongeveer een jaar om de data te analyseren. 

Als we de populatieontwikkeling van de gewone dwergvleermuis binnen VleerMUS Utrecht vergelijken met de populatieontwikkeling van de gewone dwergvleermuis binnen alle vleerMUS-projecten samen in Nederland, dan laat Utrecht een afwijkend beeld zien. De populatieontwikkeling van de gewone dwergvleermuis laat in Utrecht een matige afname zien tegenover een matige toename in stedelijk Nederland. Als onderdeel van de ‘update’ van de ecologische informatie van het Soortmanagementplan SMP (zie 5.10) worden in 2025-2027 aanvullende inventarisaties gedaan van verblijfplaatsen. Voor de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger zijn de data nog niet toereikend genoeg om statistische trends te berekenen.

 

Image
vleermuis

Bron: Pexels.com, fotograaf Maximilian Ruther

5.5 Ringslangen

Figuur 5.5.1 trend ringslang

Infogram URL

Dit is een overzicht van het aantal ringslangbroeihopen in Utrecht. In 2025 werden vijftien van de drieëntwintig broeihopen afgegraven en opnieuw opgebouwd waarbij de eikapsels werden geteld. Helaas werd er maar in 1 broeihoop eikapsels gevonden (105 stuks). Dat is een grote afname. Mogelijk zijn sommige broeihopen niet diep genoeg afgegraven waardoor er eikapsels gemist zijn. Want af en toe liggen de eikapsels een stuk dieper dan de verwachting. 

Een mogelijke verklaring voor de afname van eikapsels kunnen de verschillende soorten Amerikaanse rivierkreeften (invasieve exoten) zijn die overal in Utrecht zitten en die zorgen dat een deel van het voedsel voor de ringslang afgenomen is. Ze eten kikkers, kikkervisjes en kikkereitjes en knippen de waterplanten door waardoor het water troebel wordt en de biodiversiteit afneemt. Ringslangen hebben daardoor minder voedsel. Er is nog geen oplossing voor de invasieve rivierkreeften. Het aanleggen van nieuwe broeihopen helpt zeker ook voor het leefgebied van de ringslang. 

Er zijn 3 nieuwe broeihopen aangelegd in 2025. De ligging van de nieuwe broeihooplocaties is zeer gunstig aan de oostrand van Utrecht, waar de ringslangpopulatie het sterkst is. Met de komst van de nieuwe broeihoop op Golfclub Amelisweerd en de twee nieuwe plekken in Amelisweerd is er een mooie ecologische zone aan het ontstaan voor de ringslang populatie tussen Nieuw-Wulven in Houten en de oostrand van Utrecht.  

De ringslang is een kenmerkende soort van waterrijke gebieden, natuurlijke parken en landgoederen aan de oost- en noordkant van de stad. De ringslang leeft van amfibieën en vissen. In zijn leefomgeving is het dan ook belangrijk dat er kleine wateren en natuurlijke oeverbegroeiingen aanwezig zijn. Zeker zo belangrijk is de aanwezigheid van locaties waar de ringslang kan overwinteren en zijn eieren kan afzetten. De dieren overwinteren in (dieren)holen, onder boomstammen, in taluds en andere droog gelegen, vorstvrije locaties. 

De ringslang zet haar eieren af op locaties met (natuurlijke) broei: mesthopen, composthopen en rottend organisch afval. Dergelijke locaties zijn kwetsbaar: ze worden door mensen gebruikt en wanneer niet bekend is dat er ringslangen in voortplanten kunnen de eieren worden verstoord of vernield. Om de voortplanting van ringslangen beter te beschermen, te stimuleren en bovendien goed te kunnen monitoren worden in Utrecht broeihopen aangelegd en het aantal eikapsels jaarlijks geteld. De ringslang komt in de gemeente Utrecht voor in de oost- en noordrand van de stad. Ten westen van het Amsterdam Rijnkanaal zijn geen populaties bekend.  

Voor de opbouw van de broeihopen is de gemeente afhankelijk van vrijwilligers. Daarom wisselt het aantal opgebouwde broeihopen per jaar.  
 

Image
ringslang

Fotograaf: Floris Brekelmans

5.6 Kamsalamander 

Voor de kamsalamander hebben we de poelen onderzocht die bij de gemeente in beheer zijn. We hebben vastgesteld dat daar geen kamsalamanders meer inzitten. De vermoedelijke oorzaak van de achteruitgang van de kamsalamander zijn uitheemse rivierkreeften. Om de rivierkreeften tegen te gaan hebben we een pilot gedaan met de craybar met goeie resultaten. Zie hoofdstuk exoten. Daarnaast pompen we op dit moment een van de poelen leeg om alle rivierkreeft eruit te krijgen waarna we er een scherm omheen plaatsen zodat de kreeften niet meer in de poel kunnen komen. Zo proberen we de kamsalamander weer terug te krijgen.  

 

Aan de oostkant van de stad blijft de situatie van de steenuil kritisch. In 2025 is geen territorium meer vastgesteld bij de boerderij de Tolakker (USP) en mogelijk is de steenuil langs de oostrand daarmee verdwenen als broedvogel. We blijven met t kasten plaatsen. Net buiten de gemeentegrens zijn nog territoria aanwezig, waaronder bij boerderij Slagmaat en in Ruigenhoek. Vanuit deze territoria kan hervestiging plaatsvinden. 

In Rijnenburg zijn minimaal 6 territoria van de Steenuil aanwezig. In de polder zijn verschillende nestkasten aanwezig. In 1 nestkast is 1 jong succesvol uitgevlogen. Waar de andere steenuilen broeden is niet bekend. 

In het Maximapark in Leidsche Rijn broeden verschillende paartjes steenuilen in geplaatste nestkasten. In 2024 zijn er 8 jongen succesvol uitgevlogen. De gegevens van 2025 zijn nog niet beschikbaar. 

 

De blauwborst laat een sterke achteruitgang zien. Dit is het gevolg van de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk in Haarrijn. De blauwborst had geprofiteerd van het tijdelijke natuurgebied. Met de start van de bouw is dit leefgebied grotendeels verdwenen, een hoekje van ongeveer 2 hectare resteert daar als permanent natuurgebied. We verwachten met de verdere ontwikkeling van het nieuwe natuurgebiedje (ruim 2 ha) in de Thematervelden dat de soort zich daar op termijn zal vestigen.   

5.9 Orchideeën 

In algemene zin blijft het aantal groeiplaatsen van orchideeën verspreid over de stad stabiel. Jaarlijkse zien we wel schommelingen in aantal. Voor specifiek de bijenorchis geldt dat elk jaar wel weer nieuwe groeiplaatsen worden vastgesteld. 2025 lijkt voor deze soort echter een minder goed jaar te zijn, de aantallen zijn lager. Dit is mogelijk het gevolg van vroege droogte. Andere soorten zijn in aantal stabieler of nemen toe.

Image
Bijenorchis links en rietorchis rechts

Bijenorchis links en rietorchis rechts (door Floris Brekelmans)

De landgoederen Amelisweerd en Rijnauwen vormen een belangrijke groeiplaats voor orchideeën. Hier worden jaarlijks de orchideeën geteld. Ten aanzien van de grote keverorchis geldt dat de trend op lange termijn stabiel is en over de laatste vijf jaar positief. Dit komt vooral door de vondst van nieuwe groeiplaatsen en herstel van oude bekende groeiplaatsen. Ook de rietorchis laat een toename zien. Op de belangrijkste groeiplaats zijn 1.300 exemplaren geteld, de groei lijkt hier af te vlakken. Elders neemt het aantal exemplaren toe. De bijenorchis is wisselvallig, maar op langere termijn nog steeds positief. De moeraswespenorchis blijft min of meer gelijk in aantal. 

Image
2

Moeraswespenorchis links en keverorchis rechts (door Floris Brekelmans)

In de Thematervelden, waar nieuwe natuur is ontwikkeld, gaat het goed met de orchideeën. Daar groeien er inmiddels meer dan 500. 

Bij steeds meer lokale bouw- en inrichtingsprojecten worden natuurinclusieve maatregelen genomen. Zo worden nest-, kraam- en overwinteringsverblijven op en in gebouwen aangebracht voor gebouw bewonende vogels en vleermuizen.  

Met het van kracht worden van het Utrechtse Soortmanagementplan SMP (april 2024) is een versnelling ingezet van het aanbrengen van natuurinclusieve maatregelen. De realisatie van nieuwe verblijfplaatsen compenseert de natuurlijke verblijfplaatsen die verdwijnen als gevolg van verduurzaming (na-isolatie), onderhoud, verbouwingen en stadsontwikkeling. Doordat de woningbouwcorporaties ook maatregelen aanbrengen bij lichte werkzaamheden (o.a. schilderwerkzaamheden), werken we aan een ecologische plus. Er worden op voorhand meer kasten ingebouwd dan dat er natuurlijke verblijfplaatsen verdwijnen.  

Voor de SMP-aanpak monitoren we de gebouw bewonende soorten: gierzwaluw, huismus, gewone dwergvleermuis en enkele andere vleermuissoorten. Ook krijgen we zo een steeds beter beeld van de realisatie van de nieuwe verblijfplaatsen in gebouwen. De SMP-aanpak maakt ecologisch werken overzichtelijker en betaalbaarder voor alle Utrechtse pandeigenaren. De SMP-aanpak wordt in 2026 verder ontwikkeld, waardoor meer gebruikersgroepen onder het SMP kunnen werken. Dit doen wij projectmatig, waarbij processen, rollen en verantwoordelijkheden, de ‘business case’ (wat kost en wie draagt straks bij aan de aanpak?) en de automatisering (waaronder een registratiesysteem) voor besluitvorming worden voorbereid. 

5.11 Wilde bijen 

In 2025 heeft EIS Kenniscentrum Insecten op verzoek van de gemeente Utrecht een drietal volkstuinen onderzocht op het voorkomen van bestuivers. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een jaarlijks onderzoek naar het voorkomen van bestuivers in de stad, waarbij de nadruk ligt op het vastleggen van de diversiteit. 

Tijdens de inventarisatie werden in totaal 63 soorten bijen waargenomen op de drie volkstuinen. Hiertoe behoren 5 soorten van de Rode Lijst (1 bedreigd, 3 kwetsbaar, 1 gevoelig) en 6 zeldzame soorten. Opvallend is dat maar liefst vijf van de zes Utrechtse aandachtsoorten in de volkstuinen werden waargenomen, vaak in grotere aantallen, wat aantoont dat deze locaties significant bijdragen aan het behoud van de beleidssoorten. Buiten deze inventarisatie om zijn nog drie bijensoorten voor het eerst in Utrecht waargenomen: de heggenrankbij, de veenhommel (Rode Lijst: kwetsbaar), en de composietmaskerbij (zeer zeldzaam). Met deze nieuwe waarnemingen komt het totale aantal waargenomen bijensoorten binnen de gemeente Utrecht op 151, wat ruim een derde van alle Nederlandse bijensoorten is.

 

Figuur 5.11.1 Onderzochte locaties 

Image
Onderzochte locaties
Image
DHV

Mannetje heggenrankbij op heggenrank (door John Smit)