Image

3.4 Veilige stad

3.4.1 Indicatoren beleidsnota  

Tabel 3.4.1: Indicatoren ‘veilige stad’ uit Beleidsnota Inclusie en diversiteit, vergeleken tussen 2019 en 2023
  2019 2021 2023
% inwoners dat zich wel een onveilig voelt in de eigen buurt 30% 30% 34%
% inwoners dat afgelopen 12 maanden op straat geïntimideerd is 32% 31% 34%
Bron: Inwonersenquête, gemeente Utrecht

Meer inwoners voelen zich wel eens onveilig in de eigen buurt

In de periode 2019 tot en met 2023 is de veiligheidsbeleving in de eigen buurt achteruitgegaan: 34% van de inwoners voelt zich wel eens onveilig in de eigen buurt, tegenover 30% in 2019 en 2021. Vrouwen en jongeren voelen zich vaker onveilig in de eigen buurt dan mannen en 65-plussers. De meest genoemde redenen voor een gevoel van onveiligheid zijn: zich kwetsbaar voelen als vrouw, hangjongeren en drugsoverlast.

34% Utrechters ervaart straatintimidatie

In 2023 geeft 34% van de Utrechters aan te zijn geïntimideerd op straat. Dat is hoger dan in 2021 (31%). Het is niet duidelijk of deze toename komt door een toegenomen meldingsbereidheid of door een daadwerkelijke toename van straatintimidatie. Het zijn vooral vrouwen en jongeren die straatintimidatie meemaken. 45% van de vrouwen zegt geïntimideerd te zijn, tegenover 22% van de mannen. Van de jongeren (18-29 jaar) heeft ruim de helft (51%) straatintimidatie ervaren. Bij 65-plussers is dat 14%.

De toename van straatintimidatie betreft vrouwen: het aandeel vrouwen dat straatintimidatie ervaart groeit van 41% in 2021 naar 45% in 2023, terwijl het aandeel mannen dat hier mee te maken heeft juist stabiel blijft. Verder zit de toename van straatintimidatie vooral in de leeftijdsgroepen tot 55 jaar. Bij vrouwen gaat straatintimidatie in de meeste gevallen om nastaren, gevolgd door nafluiten en naroepen met beledigende of seksuele opmerkingen. Bij mannen gaat het vooral om nageroepen worden met beledigende opmerkingen, gevolgd door nastaren. 

Figuur 3.4.2: ervaren vormen van straatintimidatie door Utrechters, 2023 

Infogram URL

3.4.2 Aanvullende relevante data  

Pink Panel 2024: 7% doet aangifte of melding van discriminatie of intolerantie

Van de deelnemers aan het Pink Panel geeft 62% aan dat ze dit jaar geen incidenten hebben meegemaakt. Omdat slechts 7% aangifte of melding heeft gedaan van discriminatie of intolerantie is er een grote groep die wel incidenten meemaakt, maar hier geen aangifte of melding van doet. Als reden hiervoor werd aangegeven dat een incident hiervoor niet ernstig genoeg werd bevonden, maar ook dat respondenten dachten dat melden geen zin had of dat het niet mogelijk is om ‘lichte’ incidenten (zoals naroepen) te melden. Deelnemers aan het panel voelen zich vooral onveilig op straat (79%). Ook een café / kroeg (36%) of discotheek (21%) worden als onveilige plek ervaren. Een van de deelnemers zegt daar het volgende over: 

“Omdat ik de mensen die ik daar tegenkom niet ken en je van tevoren niet weet hoe tolerant ze zijn. Om geen nare opmerkingen (of erger) te krijgen, heb ik het er niet snel over.” 

Figuur 3.4.3: Veiligheidsgevoelens van respondenten van het Pink Panel 2024 ten aanzien van openheid over genderidentiteit en seksuele oriëntatie 

Image
Veiligheidsgevoelens van respondenten van het Pink Panel 2024 ten aanzien van openheid over genderidentiteit en seksuele oriëntatie

Bron: Pink Panel, 2024 

3.4.3 Verhalen uit de stad  

Verhalen uit de Stadskaravaan: verhoogde spanningen zorgen voor alertheid en bezorgdheid over veiligheid onder islamitische en joodse Utrechters

Voor veel islamitische en joodse inwoners in Utrecht is de bezorgdheid over veiligheid het afgelopen jaar een dringende kwestie geworden. Er zijn specifieke zorgen om verbaal en fysiek geweld, straatintimidatie en online haat. De ervaringen worden door de deelnemers vaak in verband gebracht met de verhoogde spanningen in de Nederlandse politiek en de genocide in Gaza. Er zijn vooral zorgen over de meest kwetsbare mensen binnen de gemeenschappen, zoals mensen met zichtbare religieuze uitingen (hijab, keppeltjes of andere religieuze symbolen). Ook gaat het om ouderen en jongeren die zich minder goed zouden kunnen verdedigen.  

Deelnemers hebben bijvoorbeeld het gevoel dat ze zich continu moeten verantwoorden voor geopolitieke spanningen. Dit geldt zowel voor joodse als voor islamitische Utrechters. Een joodse Utrechter vertelt hierover het volgende: 

“Het conflict in het Midden-Oosten is geëxtrapoleerd, ik word benaderd alsof ik het heb gedaan.” 

En een andere joodse Utrechter zegt: 

“Ik draag een keppeltje (ondanks dat mijn familie dit afraadt). Ik krijg daar verschillende reacties over op straat: positieve bekrachtiging, ondersteuning, maar ook intimidatie en dreiging zoals toen er drie jongeren pal voor mij gingen staan en in mijn gezicht zeiden ‘Free Palestine, Free Palestine, Free Palestine." 

Een islamitische inwoner zegt hierover: 

“Ik krijg het gevoel dat Palestina van mij is en ik moet me steeds verantwoorden.”  

Meerdere deelnemers geven aan te leven in een staat van voortdurende alertheid. Deze waakzaamheid beïnvloedt het dagelijkse leven, maar ook grote besluiten zoals je mening niet meer te uiten, zoals het selecteren van een school tot uitstel of terughoudendheid van het dragen van religieuze kleding of symbolen: 

“Ik ga mijn kind niet blootstellen aan agressie en hou mijn kind in de eigen gemeenschap. Voor mijzelf geldt dat ik constant alert ben en in de vechtmodus sta. Ik voel me niet veilig.”

Verhalen uit de Stadskaravaan: deelnemers ervaren een toename van discriminatie, uitsluiting en microagressies

Deelnemers aan de Stadskaravaan noemen in dit kader verschillende incidenten die plaatsvinden op het werk, op school en in winkels, zoals:

''Grappen op het werk die geen grappen zijn. Je naam fout uitspreken en zeggen ‘jezus wat een naam’; ‘Ramadan jammerdam’; ‘Was je in Amsterdam gisteren? (m.b.t. de rellen)’. Ik merk het vaak, het gebeurt vooral door autochtonen.” En het volgende voorbeeld: ''Er was een hakenkruis getekend op het schoolterrein, naast dat het te lang duurde om weg gehaald te worden, werd er ook niet genoeg stil gestaan bij wat het betekent en de impact die het heeft."

Door diverse deelnemers worden ook microagressies ervaren. Dit draagt bij aan een gevoel er niet toe te doen. Voorbeelden hiervan zijn een schoolreis tijdens de ramadan, een docent die studenten aanspreekt met ‘jullie moslims’ of het verschil dat wordt ervaren in de selectieve verontwaardiging die er is over jodenhaat of moslimhaat. Door zowel joodse deelnemers als islamitische deelnemers worden grappen ervaren die voor hen niet grappig zijn: 

“Bij het voetballen vroeger werden er opmerkingen of grapjes gemaakt over fietsendiefstal, mocromaffia en zulke stereotyperende uitspraken (...) Ik reageer soms wel en soms niet, afhankelijk van wie en de context. Niet iedereen doet het even bewust, en het is altijd goed om bij te dragen aan bewustwording, soms voelt het wel echt als opzettelijk."

Een andere deelnemer vat ook treffend samen hoe dergelijke opmerkingen binnenkomen: 

"Eerst wordt de klap uitgedeeld en daarna komt de nuance. Dan wordt er gezegd ‘Ik wil niet discrimineren’, maar de klap is al uitgedeeld."
 

Door veel deelnemers met een moslimachtergrond wordt ervaren dat zij hard moeten werken voor dezelfde waardering als collega's die geen moslim zijn. Ook zijn er ervaringen met en grote zorgen over het niet verkrijgen van een stageplek of baan. Er worden diverse ervaringen gedeeld over het meten met twee maten:

"Ik werd steeds niet uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek als ik mijn eigen naam gebruik, toen ik met dezelfde brief maar met een andere naam solliciteerde, werd ik wel gebeld." 

Of het volgende voorbeeld: 

"Ik heb 90 sollicitaties gedaan voor mijn stage en ben nergens aangenomen."

Een van de deelnemers legt uit wat dat met diegene doet: 

"Je voelt je beperkt om jezelf te zijn, bijvoorbeeld wanneer je bij een sollicitatiegesprek nijgt kleding te dragen die er niet ‘religieus’ uit ziet, omdat dit je kansen kan schaden."

Verhalen van inwoners: onveiligheidsgevoelens zijn voor sommige Utrechters in een gemarginaliseerde positie nog steeds aan de orde van de dag ...

Via de verhalen van inwoners hebben we nog meer inzicht gekregen in groepen die onveiligheidsgevoelens ervaren. Een van de vertellers duidt bijvoorbeeld hoe het voelt om als non-binair persoon onderdeel te zijn van het openbare leven:  

“Het leven als non-binair is elke dag alert zijn. Wat als ik een vrouwentoilet binnenloop, terwijl er geen genderneutraal toilet is? Wat als mensen weten wie ik ben? In sommige landen kan dat zelfs gevaarlijk zijn. Ik kan opgepakt worden, terwijl ik niks kwaads in mijn zin heb.”

Ook blijkt uit een van de verhalen dat zelfs safe spaces voor de lhbtiqa+-gemeenschap onveilig kunnen zijn als er binnen de community vooroordelen geuit worden:

“Als aseksueel persoon leid ik vaak een soort dubbelleven. Ik ben vaak bezig met of het op een bepaalde plek veilig is om die kant van mij te laten zien. Veel plekken zijn dat niet, of voelen niet zo. Soms zijn er ook plekken waarvan ik denk dat die in principe open en veilig zouden moeten zijn en dat toch niet blijken te zijn. Een voorbeeld daarvan maakte ik mee in een café voor de lhbtqia+-gemeenschap in Utrecht. Ik was iets aan het drinken en raakte aan de praat met een homoseksueel persoon. Hij stelde heel veel vragen over aseksualiteit, maar tussen de regels door klonken vooral de vooroordelen.”

Een veilig gevoel wordt soms pas ervaren als het initiatief tot een community uit de betreffende groep zelf komt:

“Die zoektocht bracht me uiteindelijk tot een besluit: als het er nog niet is, dan maak ik het zelf. En zo ontstond onze eigen [black] community in Utrecht, een warme, veilige plek voor sisters om samen te komen.”

... wat ook geldt voor Utrechters die moslimdiscriminatie ervaren. Zowel op straat ...

Moslimdiscriminatie is een van de thema's die veel terugkwam in de gesprekken met inwoners. Uit een aantal verhalen komt naar voren dat mensen openlijk gediscrimineerd werden: 

“Een aantal witte mensen stond op de stoep en riep tegen deze moslim-uitziende mensen: MINDER! En misschien riepen ze dat ook wel tegen mij. Ik stopte, stapte van mijn fiets en dacht: wat krijgen we nou? Ik vond dit vervelend en pijnlijk, want in wat voor een stad leef je als witte mensen dit gaan roepen tegen mensen die je niet kent.” 

Dit blijkt ook uit het volgende voorbeeld: 

“We kwamen in een Utrechtse wijk waar we het enige Marokkaanse gezin waren. (...) Toen hij wat ouder was verkocht mijn zoon een tijdje zonnepanelen langs de deuren, en kwam hij regelmatig thuis met verhalen over hoe hij wordt aangesproken – koud, wantrouwend, soms ronduit onbeschoft.”  

... als institutioneel

Net als uit de Stadskaravaan komt ook uit de gesprekken met inwoners naar voren dat vormen van discriminatie op verschillende manieren plaatsvinden. Bijvoorbeeld bij het zoeken naar een stageplaats:

 “Moeders komen soms huilend bij mij om te vragen of ik hun kind geen stageplaats kan bieden, want anders kunnen ze hun opleiding niet afmaken.” 

Of als iemand door haar afkomst extra in de gaten wordt gehouden: 

“Ik draag geen hoofddoek, maar ook ik word aangekeken op mijn uiterlijk en afkomst: in de parfumerie word ik extra in de gaten gehouden, en ik weet dat de beveiliging ook op risicoprofielen wordt getraind. En die beveiliger heeft soms ook gewoon Marokkaanse roots. Zo worden we tegen elkaar opgezet.”

Ook polarisatie draagt bij aan gevoelens van onveiligheid

Inwoners ervaren dit bijvoorbeeld omtrent de genocide in Gaza: 

“Als je je verbonden voelt met wat er in Gaza gebeurt, dan zijn er heel veel mensen die naast jou staan. Maar net zo veel mensen die ook weer tegenover jou staan. Het is volgens mij nog nooit zo slecht geweest hier in Nederland met het polariseren, het tegenover elkaar zetten van mensen. Was het nou maar iets dat gewoon bij de politiek zou blijven. Maar we zien dat ook de media en lagere instanties daarin meegaan.” 

En volgens een andere inwoner: 

“Het gevaar zit in polarisatie en groepen over één kam scheren. Uitspraken zoals ‘jullie Joden’ zijn gevaarlijk en kloppen niet omdat er veel verschil zit binnen de groep Joden in Nederland.” 

Maar ook ten gevolge van politieke ontwikkelingen in Nederland: 

“Zelf heb ik na de verkiezingsoverwinning van de PVV aan scholieren uitgelegd dat zij door een nieuwe regering niet zomaar het land uitgezet kunnen worden.”